ECLI:NL:RVS:2012:BW8196
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- M.A.A. Mondt-Schouten
- G. van der Wiel
- H.W. Groeneweg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot verlening Nederlanderschap wegens niet vastgestelde identiteit
Appellant verzocht om het Nederlanderschap, maar de minister van Justitie wees dit verzoek af wegens het ontbreken van een gelegaliseerde geboorteakte waarmee zijn identiteit kan worden vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De kern van het geschil betreft de bewijsnood van appellant om gelegaliseerde documenten te overleggen. Appellant stelde dat hij machteloos staat en dat de minister en rechtbank ook een taak hebben in het vaststellen van zijn identiteit. De Raad van State oordeelt echter dat het aan appellant is om aannemelijk te maken dat hij in bewijsnood verkeert en dat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat hij de benodigde documenten niet kan verkrijgen.
De Raad van State overweegt dat het belang van de juiste vaststelling van identiteit bij naturalisatie groot is en dat de minister terecht het verzoek heeft afgewezen. Ook het beroep op artikel 16 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten faalt omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen gelegaliseerde geboorteakte kan verkrijgen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot verlening van het Nederlanderschap bevestigd.