ECLI:NL:RVS:2012:BW8617

Raad van State

Datum uitspraak
6 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201205540/2/V4 en 201205543/2/V4
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 15 Verordening (EG) 343/2003
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdelingen in hoger beroep asielzaak

De vreemdelingen hadden bij besluiten van 29 februari 2012 een afwijzing ontvangen op hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage verklaarde hun beroepen ongegrond bij uitspraken van 24 mei 2012. Hiertegen stelden de vreemdelingen hoger beroep in bij de Raad van State en verzochten tegelijkertijd om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.

De vreemdelingen zouden op 7 juni 2012 worden overgedragen aan de Italiaanse autoriteiten op grond van de Dublin-verordening (Verordening (EG) 343/2003). Zij betoogden dat de minister op grond van artikel 15 van Pro deze verordening de Oostenrijkse autoriteiten had moeten verzoeken de asielverzoeken aan zich te trekken. De voorzitter oordeelde dat deze grieven nader onderzoek vereisen en dat de procedure zich daar niet goed voor leent.

Gezien het spoedeisend belang en de betrokken belangen besloot de voorzitter de voorlopige voorziening te treffen dat de vreemdelingen niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 437,00, toe te rekenen aan rechtsbijstand door een derde.

De uitspraak werd gedaan door voorzitter G. van der Wiel op 6 juni 2012, in aanwezigheid van ambtenaar van staat M.L.M. van Loo.

Uitkomst: De vreemdelingen worden niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

201205540/2/V4 en 201205543/2/V4.
Datum uitspraak: 6 juni 2012
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
(de vreemdelingen),
verzoekers,
tegen de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 24 mei 2012 in zaken nrs. 12/7364, 12/7365, 12/7362 en 12/7363 in de gedingen tussen:
de vreemdelingen
en
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.
1. Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 29 februari 2012 heeft de minister aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraken van 24 mei 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraken hebben de vreemdelingen bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 4 juni 2012, hoger beroep ingesteld.
Voorts hebben de vreemdelingen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2. Overwegingen
2.1. Het verzoek is erop gericht te voorkomen dat de vreemdelingen worden uitgezet gedurende de behandeling van het ingestelde hoger beroep. Zij wijzen er in dit verband op dat zij op 7 juni 2012 in het kader van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening) aan de Italiaanse autoriteiten zullen worden overgedragen.
2.2. In de grieven klagen de vreemdelingen dat de voorzieningenrechter met zijn oordeel dat hun betoog geen concrete aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de minister op humanitaire gronden als bedoeld in artikel 15 van Pro de Verordening de asielverzoeken aan zich had moeten trekken, heeft miskend dat zij niet hebben betoogd dat de minister hun asielverzoeken aan zich had moeten trekken, doch dat zij zich op het standpunt hebben gesteld dat de minister op grond van voornoemd artikel de Oostenrijkse autoriteiten had moeten verzoeken om de asielverzoeken aan zich te trekken. De grieven richten zich voorts tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de bestreden besluiten zich niet verzetten tegen hereniging met de overige gezinsleden, nu de Italiaanse autoriteiten de asielaanvragen van deze gezinsleden op grond van de Verordening kunnen overnemen, dan wel de mogelijkheid bestaat dat de Oostenrijkse autoriteiten kunnen instemmen met de overname van de behandeling van de asielaanvragen door Italië.
De beoordeling van deze grieven vergt nader onderzoek, waartoe deze procedure zich niet goed leent. Nu voorts is gebleken van een spoedeisend belang, als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, ziet de voorzitter, gelet op de betrokken belangen, aanleiding om de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.3. De voorzitter acht termen aanwezig om de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel op na te melden wijze in de proceskosten te veroordelen.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdelingen niet worden uitgezet, totdat op het door hen ingestelde hoger beroep is beslist;
II. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van staat.
w.g. Van der Wiel
voorzitter w.g. Van Loo
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2012
418-719.
Verzonden: 6 juni 2012
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser