De raad van de gemeente Landgraaf stelde op 7 juli 2011 het bestemmingsplan 'Loods Haanweg' vast, waarin onder meer een bouwvlak met een maximum bebouwingspercentage van 100% werd opgenomen voor een perceel waar een loods voor het houden van paarden kon worden opgericht. Appellante en anderen stelden beroep in tegen dit besluit vanwege de mogelijke geurhinder voor nabijgelegen woningen binnen de geurcirkel.
De Raad van State overwoog dat het perceel en de woningen buiten de bebouwde kom liggen en dat volgens artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet geurhinder en veehouderij een minimale afstand van 50 meter tussen veehouderijen en geurgevoelige objecten moet worden aangehouden. De in het plan voorziene loods ligt echter op een kortere afstand dan deze 50 meter.
Hoewel de raad stelde dat de situatie een verbetering was ten opzichte van de bestaande stallen, erkende de Raad van State dat deze stallen zonder vergunning waren opgericht en dat het plan feitelijk een nieuwvestiging betreft. De raad had onvoldoende gemotiveerd waarom het plan ondanks de afstandsoverschrijding toch in overeenstemming zou zijn met een goede ruimtelijke ordening.
Daarom oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak dat het besluit niet deugdelijk was gemotiveerd en vernietigde het bestemmingsplan. De overige beroepsgronden werden niet behandeld en het griffierecht werd aan appellante en anderen vergoed.
Uitkomst: Het bestemmingsplan 'Loods Haanweg' wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en strijd met de afstandseisen uit de Wet geurhinder en veehouderij.
Uitspraak
201110186/1/R1.
Datum uitspraak: 20 juni 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te Landgraaf, en anderen,
en
de raad van de gemeente Landgraaf,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 7 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Loods Haanweg, gemeente Landgraaf" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellante] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 september 2011, beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 mei 2012, waar [appellante] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door A. van de Schraaff, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het beroep richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en onder meer de aanduidingen "bouwvlak" en "maximum bebouwingspercentage 100%" voor het perceel, kadastraal bekend als gemeente Ubach over Worms, sectie E, nummers 200 en 201.
[appellante] en anderen betogen dat het plan ten onrechte voorziet in de mogelijkheid om op het desbetreffende perceel een loods op te richten waar paarden kunnen worden gehouden. [appellante] en anderen voeren hiertoe aan dat het plan zal leiden tot geurhinder, nu de binnen de geurcirkel van de voorziene loods woningen zijn gelegen.
2.1.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan de afstand opgenomen in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv). Volgens de raad voorziet het plan wat betreft geurhinder evenwel in een verbetering ten opzichte van de voorheen geldende situatie. Thans zijn volgens de raad de stallen waar de paarden worden gehouden op een kleinere afstand van de woningen gelegen dan de in het plan voorziene loods. Gelet hierop is het plan volgens de raad niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
2.1.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wgv bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object ten minste 50 m indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Ingevolge het derde lid, wordt een omgevingsvergunning, indien de afstand, bedoeld in het eerste of tweede lid, kleiner is dan aangegeven in dat lid, in afwijking van die leden, niet geweigerd indien de afstand tussen de veehouderij en het geurgevoelig object dat binnen de in het eerste of tweede lid bedoelde afstand is gelegen, niet afneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld niet toeneemt.
Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a en b, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor agrarische bedrijven en agrarisch (bedrijfsmatig) grondgebruik.
Ingevolge lid 3.2.1, mogen op de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden uitsluitend agrarische bedrijfsgebouwen, geen woning zijnde, teeltondersteunende voorzieningen, hagelnetten en mestopslagplaatsen en overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd.
Ingevolge lid 3.2.2 gelden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' de volgende regels:
a. binnen het bouwvlak mogen gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, teeltondersteunende voorzieningen, hagelnetten en mestopslagplaatsen worden gebouwd;
b. de bouwhoogte van gebouwen mag ten hoogste 5,50 m bedragen;
c. de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouw zijnde mag ten hoogste 8 m bedragen.
2.1.3. Vast staat dat het perceel waarop de loods is voorzien, alsmede de nabijgelegen woningen, zijnde geurgevoelige objecten, buiten de bebouwde kom zijn gelegen, zodat, ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wgv, een afstand van 50 m dient te worden aangehouden tussen de loods en de woningen. Voorts staat vast dat de in het plan voorziene loods op een kortere afstand van de woningen is gelegen. Ten slotte staat vast dat het desbetreffende perceel onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Grote Boslocatie" een agrarische bestemming had en dat de thans op het perceel aanwezige stallen zonder vergunning zijn opgericht.
2.1.4. De raad stelt terecht dat de in het plan voorziene loods op een grotere afstand van de nabijgelegen woningen is gelegen dan de thans op het perceel aanwezige stallen. De raad heeft evenwel niet onderkend dat deze stallen zonder vergunning zijn opgericht en hiertegen handhavend kan worden opgetreden. In planologisch opzicht is derhalve sprake van nieuwvestiging van een loods voor het houden van paarden, zodat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het plan leidt tot een verbetering ten aanzien van de voorheen geldende situatie. De raad heeft hiermee, en ook anderszins, niet deugdelijk gemotiveerd waarom ondanks het niet aanhouden van de in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wgv, genoemde afstand van 50 m vanaf de voorziene loods tot de geurgevoelige objecten het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.
2.1.5. In hetgeen [appellante] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 vanPro de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.
2.2. Gelet op het vorenstaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.
2.3. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Landgraaf van 7 juli 2011;
III. gelast dat de raad van de gemeente Landgraaf aan [appellante] en anderen het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.
Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van staat.