Uitspraak
200903145/1en betogen dat overeenkomstig deze uitspraak de bestreden plan(onder)delen niet in stand kunnen blijven. Om een grotere oppervlakte mogelijk te maken, is het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid een mogelijkheid. Het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid is hiervoor een goede procedure, aldus [appellanten sub 5].
200903145/1niet tot een vernietiging van het door hen bestreden plan(onder)deel. In deze uitspraak heeft de Afdeling weliswaar overwogen dat het aan de wijzigingsbevoegdheid verbonden maximum van 3 ha glasopstand zich niet verdraagt met de aanduiding van het gebied als doorgroeigebied voor de glastuinbouw gelet op hetgeen daarover in de provinciale beleidnota Glastuinbouw is aangegeven, maar het betreft een zaak op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening waar het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant ter beoordeling voorlag en dit college was gebonden aan zijn eigen beleid. Thans ligt een plan voor dat in overeenstemming met de Wro is vastgesteld door de raad. De raad was niet zonder meer gebonden aan het provinciaal beleid neergelegd in de beleidsnota glastuinbouw. De raad heeft gemotiveerd waarom er geen grotere oppervlakte mogelijk was.
200801932/1en 29 september 2010 in zaak nr.
200809200/1/R1heeft overwogen, rust op het gemeentebestuur de plicht zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in een gebied alvorens bij een plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete bouwvoorschriften voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 38a van de Monumentenwet 1988 (Kamerstukken II 2003/04, 29259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn. Het voldoen aan deze verplichting klemt te meer nu de Monumentenwet 1988 de mogelijkheid biedt - waarvan in dit plan gebruik is gemaakt - om de kosten voor het archeologische (voor)onderzoek voor rekening te laten komen van de grondeigenaren of gebruikers. De wetgever is er immers vanuit gegaan dat die financiële lasten zo veel mogelijk voorzienbaar en vermijdbaar zijn.