ECLI:NL:RVS:2012:BX0075
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen ongegrondverklaring bezwaar ongewenstverklaring vreemdeling
De minister voor Immigratie en Asiel verklaarde de vreemdeling bij besluit van 18 november 2010 ongewenst. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en verklaarde het bezwaar tegen deze ongewenstverklaring ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat ingevolge artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 geen hoger beroep openstaat tegen uitspraken van de voorzieningenrechter na toepassing van artikel 78, tenzij de voorzieningenrechter buiten zijn bevoegdheid is getreden. In deze zaak heeft de voorzieningenrechter het bezwaar tegen de ongewenstverklaring ongegrond verklaard, terwijl hij daartoe niet bevoegd was.
Daarom is het hoger beroep gegrond, wordt de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd voor zover het bezwaar ongegrond werd verklaard, en dient de minister alsnog een besluit te nemen op het bezwaar. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter wordt vernietigd voor zover het bezwaar ongegrond werd verklaard.