ECLI:NL:RVS:2012:BX0733
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring onterecht opgelegd aan alleenstaande minderjarige vreemdeling
De vreemdeling werd op 24 april 2012 in vreemdelingenbewaring gesteld, waarna de rechtbank op 3 mei 2012 het beroep ongegrond verklaarde. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State en voerde onder meer aan dat de bewaring onterecht was opgelegd, mede op grond van de ministeriële brief van 10 maart 2011 over alleenstaande minderjarige vreemdelingen.
De Raad van State overwoog dat de grieven die in hoger beroep werden aangevoerd niet in eerste aanleg waren ingebracht, waardoor deze niet als grieven konden worden aangemerkt. Desalniettemin oordeelde de Afdeling dat de rechtbank de inhoud van de ministeriële brief had moeten betrekken bij haar beoordeling. Uit het proces-verbaal bleek dat de vreemdeling niet verdacht was van een misdrijf, noch dat hij zich in Nederland aan toezicht had onttrokken. Hoewel hij uit een opvangtehuis in Spanje was weggelopen, was onvoldoende toegelicht dat dit onder toezicht viel.
De minister had niet gemotiveerd waarom de vreemdeling niet bij zijn vader kon verblijven in afwachting van zijn terugkeer naar Marokko. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat de vrijheidsontnemende maatregel per direct werd opgeheven. Tevens werd een vergoeding toegekend voor de periode van bewaring en proceskosten toegewezen aan de vreemdeling.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven en de vreemdeling krijgt een vergoeding toegekend.