ECLI:NL:RVS:2012:BX0750
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring ondanks onduidelijkheid beëdigde tolk
De vreemdeling werd op 22 april 2012 in vreemdelingenbewaring gesteld. Hij voerde aan dat de bewaring onrechtmatig was omdat hij werd gehoord via een mogelijk niet beëdigde tolk, wat volgens hem in strijd was met artikel 28 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv).
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State, stellende dat de minister had moeten nagaan of de gebruikte tolk beëdigd was en dat het ontbreken hiervan de bewaring onrechtmatig maakte.
De Raad van State oordeelde dat het op de minister rustte om te verifiëren of de tolk beëdigd was, maar dat het ontbreken van deze verificatie niet automatisch leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring. Dit is slechts het geval als de belangen van de bewaring niet in redelijke verhouding staan tot het gebrek. In deze zaak was niet gebleken dat niet aan de wettelijke vereisten was voldaan of dat de vreemdeling door het gebruik van de tolk was benadeeld.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbetering van de gronden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring ondanks onduidelijkheid over beëdiging van de tolk en wijst het verzoek om schadevergoeding af.