De vreemdeling werd op 22 april 2012 in vreemdelingenbewaring gesteld. Hij voerde aan dat de bewaring onrechtmatig was omdat hij werd gehoord via een mogelijk niet beëdigde tolk, wat volgens hem in strijd was met artikel 28 vanPro de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv).
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State, stellende dat de minister had moeten nagaan of de gebruikte tolk beëdigd was en dat het ontbreken hiervan de bewaring onrechtmatig maakte.
De Raad van State oordeelde dat het op de minister rustte om te verifiëren of de tolk beëdigd was, maar dat het ontbreken van deze verificatie niet automatisch leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring. Dit is slechts het geval als de belangen van de bewaring niet in redelijke verhouding staan tot het gebrek. In deze zaak was niet gebleken dat niet aan de wettelijke vereisten was voldaan of dat de vreemdeling door het gebruik van de tolk was benadeeld.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbetering van de gronden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring ondanks onduidelijkheid over beëdiging van de tolk en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Uitspraak
201204997/1/V3.
Datum uitspraak: 3 juli 2012
Raad van State
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
(de vreemdeling),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 10 mei 2012 in zaak nr. 12/14035 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 april 2012 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 10 mei 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 16 mei 2012, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Hetgeen in de grieven 2 en 3 is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2.2. De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen dat het betoog van de vreemdeling dat de bewaring onrechtmatig is omdat hij voorafgaand aan de maatregel is gehoord door een niet beëdigde tolk niet slaagt, omdat niet vaststaat dat sprake is geweest van een niet beëdigde tolk. Dat het Tolkencentrum mogelijk ook gebruik maakt van niet beëdigde tolken geeft, aldus de rechtbank, geen reden om te concluderen dat daarvan in het onderhavige geval sprake is geweest, te minder nu de vreemdeling hieromtrent niets concreets heeft aangedragen.
2.3. In de eerste grief klaagt de vreemdeling, samengevat weergegeven, dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat het aan de minister was om na te gaan of de tolk die is ingeschakeld al dan niet was beëdigd. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2012, in zaak nummer 201111416/1/V2 (www.raadvanstate.nl), betoogt de vreemdeling dat uit artikel 28 vanPro de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: de Wbtv) de verplichting volgt om, zo het inschakelen van een tolk noodzakelijk is, een beëdigde tolk te gebruiken en indien dat wegens omstandigheden niet kan, de redenen daarvoor op schrift te stellen. Aldus de vreemdeling dient, nu niet is gebleken dat gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk, de beschikking die op het werk van de gebruikte tolk is gebaseerd te worden vernietigd.
2.3.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wbtv, voor zover thans van belang, maakt de Koninklijke Marechaussee in het kader van het vreemdelingenrecht uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers.
2.3.2. Uit de bewoordingen en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 28, eerste lid, van de Wbtv volgt dat deze bepaling, behoudens toepassing van het derde lid, onder meer de Koninklijke Marechaussee verplicht tot het inschakelen van beëdigde tolken of vertalers, indien gebruik van een tolk of vertaler nodig wordt geacht.
2.3.3. In het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van het aan de inbewaringstelling voorafgaande gehoor van 22 april 2012 staat vermeld dat de vreemdeling met behulp van een tolk in de Franse taal door een onderofficier van de Koninklijke Marechaussee is gehoord. Hierin staat niet vermeld of deze tolk als zodanig is beëdigd en de minister heeft ter zitting van de rechtbank naar voren gebracht dat hij niet weet of hierover navraag is gedaan.
2.3.4. Het is onduidelijk of in dit geval, zoals voortvloeit uit artikel 28, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wbtv, gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk in de Franse taal. Anders dan de rechtbank heeft overwogen lag het op de weg van de minister om deze onduidelijkheid weg te nemen en na te gaan of de tolk die is ingeschakeld was beëdigd. Hoewel de klacht in zoverre terecht is voorgedragen, kan de grief, gelet op het volgende, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.
2.3.5. De omstandigheid dat de minister heeft nagelaten zich er van te vergewissen of de tolk beëdigd was, heeft, anders dan de vreemdeling betoogt, niet zonder meer tot gevolg dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Dit gebrek maakt de inbewaringstelling, indien aan alle in de wet gestelde vereisten daarvoor is voldaan, eerst onrechtmatig, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan alle voor de bewaring gestelde vereisten is voldaan.
Gelet op de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag mochten worden gelegd en nu uit hetgeen de vreemdeling naar voren heeft gebracht niet valt op te maken of en zo ja, in hoeverre hij door het gebruik van de betreffende tolk is benadeeld, bestaat geen grond voor het oordeel dat de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek.
2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.
2.5. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van staat.