Uitspraak
201000441/1/V6, heeft de minister bij de toepassing van artikel 10 van Pro de RWN beoordelingsvrijheid waarvan de invulling primair tot zijn verantwoordelijkheid behoort.
Raad van State
De minister heeft het verzoek van appellante om het Nederlanderschap te verlenen afgewezen omdat zij niet onafgebroken vijf jaar rechtmatig verblijf in Nederland had, vanwege een verblijfsgat van enkele dagen tussen twee verblijfsvergunningen.
Appellante stelde dat het verblijfsgat van korte duur was en dat het onevenredig hard zou zijn om de termijn opnieuw te moeten doorlopen, mede vanwege reisproblemen met haar kinderen die wel de Nederlandse nationaliteit bezitten.
De Raad van State oordeelde dat het beleid terughoudendheid vereist bij toepassing van artikel 10 RWN Pro en dat de omstandigheden van appellante, zoals haar integratie en verblijfvergunning voor onbepaalde tijd, geen bijzondere omstandigheden vormen. Het verblijfsgat kwam voor haar rekening en risico, en het belang van handhaving van de wettelijke vereisten weegt zwaarder.
Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en is de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot naturalisatie bevestigd wegens verblijfsgat en ontbreken bijzondere omstandigheden.