ECLI:NL:RVS:2012:BX1823

Raad van State

Datum uitspraak
18 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201109224/1/T1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 49 lid 6 Wet op de Raad van StateArt. 8:57 Algemene wet bestuursrechtArt. 6:15 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belastingdienst moet bezwaar kinderopvangtoeslag opnieuw behandelen na procedurefout

De Belastingdienst/Toeslagen verstrekte op 2 juni 2010 een voorschot kinderopvangtoeslag van €11.919 aan appellante. Later stelde de Belastingdienst het voorschot op nihil vast met een besluit van 19 oktober 2010. Appellante maakte bezwaar, maar de Belastingdienst behandelde een brief van 4 oktober 2010 ten onrechte als bezwaar tegen het besluit van 19 oktober 2010 en nam op 9 november 2010 een besluit op bezwaar dat niet rechtsgeldig was.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond, vernietigde het besluit van 9 november 2010 en verklaarde het bezwaar tegen het besluit van 2 juni 2010 niet-ontvankelijk. De Raad van State oordeelt dat de brief van 21 december 2010, waarin appellante beroep instelde, als bezwaarschrift tegen het besluit van 19 oktober 2010 moet worden beschouwd en dat de rechtbank dit had moeten doorsturen naar de Belastingdienst.

De Raad van State beveelt de Belastingdienst daarom aan om binnen zes weken alsnog te beslissen op het bezwaar zoals ingediend en aangevuld door appellante, en hierover de Afdeling bestuursrechtspraak te informeren. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en griffierechtvergoeding.

Uitkomst: De Belastingdienst wordt opgedragen binnen zes weken alsnog te beslissen op het bezwaar tegen het voorschot kinderopvangtoeslag.

Uitspraak

201109224/1/T1/A2.
Datum uitspraak: 18 juli 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Tussenuitspraak met toepassing van artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Hoogvliet, gemeente Rotterdam,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juli 2011 in zaak nr. 10/5272 in het geding tussen:
[appellante]
en
Belastingdienst/Toeslagen.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 2 juni 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een voorschot kinderopvangtoeslag voor 2010 aan [appellante] verstrekt van in totaal € 11.919,00.
Bij besluit van 19 oktober 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag op nihil vastgesteld.
Bij besluit van 9 november 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een besluit op bezwaar genomen.
Bij uitspraak van 7 juli 2011, verzonden op 13 juli 2011, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 november 2010 vernietigd en het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 juni 2010 alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2011, hoger beroep ingesteld.
De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Nadat partijen bij brieven van 18 november en 12 december 2012 daartoe toestemming als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) hadden verleend, heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.
2.2.    [appellante] heeft bij brief van 4 oktober 2010 aan de Belastingdienst/Toeslagen medegedeeld, dat zij ten onrechte een bedrag van € 6.500 aan [gastouderbureau] heeft betaald, omdat geen kinderopvang door [gastouderbureau] of [gastouder] heeft plaatsgevonden, maar zonder haar toestemming gegevens zijn ingevuld door [gastouder]. Bij besluit van 19 oktober 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag op nihil vastgesteld. Uit de stukken is niet gebleken dat [appellante] tegen het besluit van 19 oktober 2010 bezwaar heeft gemaakt. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de brief van 4 oktober 2010 evenwel ten onrechte aangemerkt als bezwaar tegen het nadien genomen besluit van 19 oktober 2010. De Belastingdienst/Toeslagen heeft derhalve ten onrechte bij besluit van 9 november 2010 een besluit op bezwaar genomen. Dat besluit dient in de einduitspraak te worden vernietigd.
Nu de Belastingdienst/Toeslagen op 9 november 2010, derhalve binnen de termijn voor het maken van bezwaar tegen het besluit van 19 oktober 2010, een besluit op bezwaar heeft genomen, kan aan [appellante] niet worden tegengeworpen dat zij tegen het besluit van 19 oktober 2010 geen bezwaar heeft gemaakt.
Gelet op deze omstandigheden had de rechtbank de brief van 21 december 2010, waarbij [appellante] bij haar beroep heeft ingesteld, moeten aanmerken als bezwaarschrift, gericht tegen het besluit van 19 oktober 2010. De rechtbank had deze brief met toepassing van artikel 6:15 van Pro de Awb ter behandeling als bezwaarschrift aan de Belastingdienst/Toeslagen dienen door te sturen.
2.3.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de Belastingdienst/Toeslagen op de voet van artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen om alsnog te beslissen op het aldus bij brief van 21 december 2010 gemaakte bezwaar, zoals aangevuld bij brief van 21 januari 2011, en de Afdeling van dat besluit op de hoogte te stellen.
2.4.    In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
draagt Belastingdienst/Toeslagen op om binnen 6 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen alsnog te beslissen op het aldus bij brief van 21 december 2010 gemaakte bezwaar, zoals aangevuld bij brief van 21 januari 2011, en de Afdeling van dat besluit op de hoogte te stellen en dit aan [appellante] toe te zenden.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.
w.g. Bijloos                              w.g. Poot
lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012
362.