ECLI:NL:RVS:2012:BX2095
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van jaarlijkse legesverplichting voor Turkse onderdanen bij verlenging verblijfsvergunning
De vreemdeling, een Turkse onderdaan, stelde dat de verplichting om jaarlijks de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning regulier te verlengen, gecombineerd met de daarbij horende leges, onevenredig en discriminerend is ten opzichte van burgers van de Europese Unie. Hij verwees naar de artikelen 9 en 10 van de Associatieovereenkomst en artikelen 10 en 13 van het Besluit nr. 1/80.
De Raad van State overwoog dat de verplichting tot jaarlijkse verlenging van de verblijfsvergunning ook al bestond op 1 december 1980 en dus geen nieuwe beperking vormt in de zin van artikel 13 van Pro het Besluit nr. 1/80. De legesverplichting is wel een nieuwe maatregel, maar het bedrag dat Turkse onderdanen betalen is gelijk aan dat van burgers van de Unie voor soortgelijke aanvragen. De Raad verwierp het betoog van de vreemdeling dat de vergelijking met een kosteloos afgegeven verklaring van inschrijving moet plaatsvinden.
De Raad concludeerde dat er geen sprake is van een nieuwe verplichting die onevenredig is aan die van burgers van de Unie en dat de non-discriminatiebepalingen niet zijn geschonden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de jaarlijkse legesverplichting voor Turkse onderdanen niet in strijd is met het Besluit nr. 1/80 en de non-discriminatiebepalingen.