Uitspraak
200702299/2.
Raad van State
Het college van gedeputeerde staten van Overijssel stelde op 14 september 2010 het wijzigingsinrichtingsplan Enter vast. Diverse appellanten, waaronder inwoners en maatschappen uit Enter en Bornerbroek, stelden beroep in tegen dit besluit. De beroepen richtten zich onder meer tegen de verplaatsing van een agrarisch bedrijf, het niet opnemen van een maximaal waterpeil, aanleg van nieuwe natuur, toepassing van kortingen voor aanleg van fietspaden en ecologische verbindingszones, en openbaarmaking van wandel- en fietspaden.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat veel van de aangevochten onderdelen niet tot de in artikel 19 van Pro de Wet inrichting landelijk gebied genoemde onderdelen van het inrichtingsplan behoren waartegen beroep kan worden ingesteld. Zo is de verplaatsing van het agrarisch bedrijf voorzien in het uitwerkingsplan en niet in het inrichtingsplan, en het opnemen van een maximaal waterpeil betreft geen toewijzing van eigendom. Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd kennis te nemen van de beroepen van meerdere appellanten op deze punten.
Het beroep van appellante sub 2 tegen de toepassing van een korting ten behoeve van de aanleg van een fietspad binnen de nieuwe natuur langs de Regge werd inhoudelijk beoordeeld. De Afdeling vond het college niet onredelijk in haar afweging dat het fietspad bijdraagt aan de recreatieve en economische functie van het gebied en dat de gronden adequaat worden gecompenseerd via het ruilplan. Bezwaren over privacy, dierenverstoring en mogelijke besmetting met Neospora-bacterie werden als bestemmingsplanzaken aangemerkt en niet voor de Afdeling relevant. Het beroep werd ongegrond verklaard.
De Afdeling wees verder op het ontbreken van een doorlopende tekst met wijzigingen en een integrale plankaart, wat niet navolgenswaardig is, maar in dit geval de rechtszekerheid niet schaadt. Tot slot werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Afdeling verklaart zich grotendeels onbevoegd en verklaart het overige beroep ongegrond.