ECLI:NL:RVS:2012:BX2788
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling indirect bewijs verblijf vreemdeling buiten EU-lidstaten in asielprocedure
De minister van Immigratie en Asiel wees een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel af. De rechtbank vernietigde dit besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De kern van het geschil betrof de vraag of aankoopbonnen en een toegangsbewijs van een museum, die niet op naam van de vreemdeling stonden, als indirect bewijs konden worden meegewogen om het verblijf van de vreemdeling van meer dan drie maanden buiten het grondgebied van de lidstaten aannemelijk te maken. De minister stelde dat deze bewijzen niet op naam stonden en daarom niet als indirect bewijs mochten worden beschouwd.
De Raad van State oordeelde dat de Uitvoeringsverordening geen eis stelt dat indirecte bewijzen op naam van de vreemdeling moeten staan. De aankoopbonnen en het toegangsbewijs kunnen als 'andere indirecte bewijzen van dezelfde aard' worden aangemerkt en mochten daarom niet buiten beschouwing worden gelaten. Hoewel de bewijskracht beperkt is, dienen deze bewijzen samen met andere indirecte bewijzen te worden betrokken bij de beoordeling.
De grief van de minister faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €437,00.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten.