ECLI:NL:RVS:2012:BX3220

Raad van State

Datum uitspraak
23 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201205887/2/A4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.H. van Kreveld
  • M.P.J.M. van Grinsven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbNatuurbeschermingswet 1998
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen melding wijziging pluimveehouderij in Erp

Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant heeft bij brief van 16 november 2011 een melding van een bedrijf betreffende een wijziging en uitbreiding van een pluimveehouderij aan een locatie te Erp voor kennisgeving aangenomen. Verzoekster en anderen, wonend in Erp, hebben hiertegen bezwaar gemaakt dat door het college op 8 mei 2012 ongegrond is verklaard. Vervolgens hebben zij bij de Raad van State beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzitter heeft het verzoek behandeld op 12 juli 2012 waarbij partijen zijn gehoord. De voorzitter overweegt dat de brief van 16 november 2011 geen toestemming inhoudt om de wijziging en uitbreiding te realiseren, aangezien voor de bouw en het gebruik van de stallen nog omgevings- en natuurbeschermingsvergunningen nodig zijn. De procedure voor de natuurbeschermingsvergunning loopt nog.

Verzoekster en anderen stelden dat de stalbouw reeds gaande is en dat de brief een rechtstitel biedt, waardoor spoedeisend belang bestaat. De voorzitter oordeelt dat dit niet in deze voorlopige voorziening kan worden beoordeeld en dat een handhavingskwestie niet in deze procedure aan de orde is. Gezien het ontbreken van onverwijlde spoed wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

201205887/2/A4.
Datum uitspraak: 23 juli 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster] en anderen, allen wonend te Erp, gemeente Veghel,
verzoekers,
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij brief van 16 november 2011 heeft het college een melding van [bedrijf] op grond van de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant met betrekking tot een wijziging en uitbreiding van de pluimveehouderij aan de [locatie] te Erp voor kennisgeving aangenomen.
Bij besluit van 8 mei 2012, verzonden op 14 mei 2012, heeft het college het door [verzoekster] en anderen hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben [verzoekster] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juni 2012, beroep ingesteld.
Bij deze brief hebben [verzoekster] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 juli 2012, waar [verzoekster] en anderen, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Uittenbosch en ing. G. Leeuwerke, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [bedrijf], vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het college stelt zich op het standpunt dat het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening moet worden afgewezen, omdat geen spoedeisend belang aanwezig is.
2.2.1. [verzoekster] en anderen stellen dat de stalbouw in verband met de gemelde wijziging en uitbreiding van de pluimveehouderij reeds gaande is. Volgens hen wordt met de brief van 16 november 2011 geheel of gedeeltelijk een rechtstitel geboden voor de met deze wijziging en uitbreiding samenhangende ammoniakdeposities op krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) beschermde gebieden. Gelet hierop hebben zij volgens hen wel spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
2.2.2. Deze procedure leent zich niet voor beantwoording van de vraag wat het rechtskarakter is van de brief van 16 november 2011. Of deze brief als een besluit moet worden aangemerkt en, zo ja, wat daarvan precies de rechtsgevolgen zijn en of het belang van [verzoekster] en anderen daarbij dan rechtstreeks is betrokken, zal in de bodemprocedure nader onderzocht moeten worden.
2.2.3. Naar het oordeel van de voorzitter behelst de brief in ieder geval geen toestemming om de gemelde wijziging en uitbreiding van de pluimveehouderij te realiseren. Voor de stalbouw en het in gebruik nemen van de stallen zijn een omgevingsvergunning voor bouwen en een vergunning krachtens de Nbw 1998 nodig. Ter zitting heeft het college medegedeeld dat de procedure over verlening van een vergunning krachtens de Nbw 1998 nog loopt. Voor zover [verzoekster] en anderen vrezen dat de stallen zonder vergunning krachtens de Nbw 1998 in gebruik zullen worden genomen, gaat het om een handhavingskwestie die in deze procedure niet aan de orde is. Gelet hierop is er geen onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.
2.3. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.
w.g. Van Kreveld w.g. Van Grinsven
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2012
462-720.