Uitspraak
200809239/1/H2heeft overwogen, niet aannemelijk.
Raad van State
Bij besluit van 2 augustus 2011 legde het college een gedoogplicht op aan verzoeker vanwege werkzaamheden ter verbreding van de Derde en Vierde Tocht in de Zuidplaspolder. Verzoeker stelde beroep in tegen deze gedoogplicht, dat door de voorzieningenrechter op 2 november 2011 ongegrond werd verklaard.
Verzoeker verzocht vervolgens bij de Raad van State om een voorlopige voorziening om de uitvoering van de gedoogplicht te schorsen. Tijdens de zitting op 12 juli 2012 verschenen partijen, waarbij verzoeker werd bijgestaan door een advocaat.
De voorzitter overwoog dat de gedoogplicht op grond van artikel 5.24 van de Waterwet kan worden opgelegd indien onteigening niet noodzakelijk wordt geacht. Verzoeker stelde dat de onteigeningsprocedure had moeten worden gevolgd vanwege de betere waarborgen en volledige schadeloosstelling. Dit werd echter niet aannemelijk geacht, mede gelet op eerdere jurisprudentie.
De voorzitter concludeerde dat het financiële belang van verzoeker in de bodemprocedure kan worden behandeld en dat het belang van het college bij voortzetting van de werkzaamheden en het voorkomen van vertraging zwaarder weegt. Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de gedoogplicht wordt afgewezen.