Uitspraak
200908100/2/R1, heeft de voorzitter bij wijze van voorlopige voorziening het Rijksinpassingsplan "Inpassingsplan Wateringen Zoetermeer (380 kV leiding)" van de minister van Economische Zaken en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, vervat in artikel 1 van Pro het besluit van 28 augustus 2009, geschorst met uitzondering van enkele delen van dat plan. Ten aanzien van de overige artikelen van het besluit, waaronder artikel 2, is geen voorlopige voorziening getroffen, zodat voornoemd besluit in zoverre in werking was ten tijde van het vaststellen van het plan. Gelet hierop was de raad ingevolge voornoemd artikel 2 voor Pro een periode van drie jaar na de vaststelling van het rijksinpassingsplan niet bevoegd een plan vast te stellen voor de gronden waarop dit rijksinpassingsplan betrekking heeft. Nu de raad het plan binnen deze periode heeft vastgesteld, is het bestreden besluit in zoverre onbevoegd genomen. Het besluit is derhalve in strijd met artikel 3.28, eerste en vijfde lid, van de Wro, in samenhang bezien met artikel 2 van Pro het besluit van 28 augustus 2009. Het beroep is gegrond. Het besluit dient te worden vernietigd voor zover het gronden betreft waarop het rijksinpassingsplan betrekking heeft.
200510017/1is, mede gelet op door de VNG opgestelde brochure "Paardenhouderij en Ruimtelijke Ordening. Handreiking voor de praktijk.", het standpunt dat de ruimtelijke uitstraling van paardenfokkerijen verschilt van die van traditionele agrarische bedrijven, zoals paardenhouderijen, niet onredelijk. Dit betekent dat de raad het opnemen van een specifieke regeling voor paardenfokkerijen in beginsel redelijk heeft kunnen achten. Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid het opnemen van een leeftijdsgrens voor paarden en pony's ruimtelijk relevant kunnen achten om een grens te stellen tussen een paardenfokkerij en een paardenhouderij.
200905029/1, dient het toekennen van een dergelijke dubbelbestemming gegrond te zijn op voldoende en deugdelijk onderzoek waaruit blijkt dat dit noodzakelijk is ter bescherming van de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden en rust op de raad de plicht om zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in het gebied, alvorens bij het plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen.