Uitspraak
201109332/1/A2), bestaat geen aanspraak op voorschot kinderopvangtoeslag, indien geen overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van Pro de Wko, de basis voor de kinderopvang vormt. Dit betekent, mede gelet op artikel 18, eerste lid, van de Awir, dat degene die aanspraak op voorschot maakt een schriftelijke overeenkomst met de houder moet tonen. Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 16 november 2011 in zaak nr.
201106254/1/H2), staat, indien in de overgelegde overeenkomst de datum van ondertekening ontbreekt, niet vast dat de kinderopvang op basis van die overeenkomst heeft plaatsgevonden en kan de overeenkomst niet als bewijs dienen dat de kinderopvang plaatsvond op basis van een schriftelijke overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van Pro de Wko.
201100797/1/H2), volgt uit artikel 52 van Pro de Wko, gelezen in verbinding met artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, dat de overeenkomst, bedoeld in artikel 52 van Pro de Wko, in elk geval de gegevens, vermeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, waaronder de te betalen prijs per uur, moet bevatten.
201110472/1/A2), volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat degene die aanspraak op kinderopvangtoeslag maakt, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte van die kosten is. Nu de door [appellant] overgelegde kwitanties ongenummerd zijn, heeft de Belastingdienst daaraan niet de betekenis hoeven hechten die hij daaraan gehecht wenst te zien, te minder nu volgens een op 28 april 2009 gedateerde kwitantie ook een bedrag van € 24.008,40 aan een ander dan de gastouder is betaald. De door [appellant] overgelegde bankafschriften kunnen evenmin als toereikend bewijs voor betaling aan de gastouder dienen, nu daaruit weliswaar volgt dat hij telkens enige dagen voor de op de kwitanties geschreven datum bedragen van zijn bankrekening heeft opgenomen, maar niet dat daarvan ook de gastouder is betaald. Om aan te tonen dat de verschillende op de kwitanties vermelde bedragen aan de gastouder zijn betaald, zijn aanvullende gegevens nodig, in het bijzonder betreffende het bedrag van € 24.008,40, welke gegevens ontbreken. Dat, naar [appellant] stelt, hij in 2009 een aantal maal contant is uitbetaald in de ijssalon, waar hij heeft gewerkt, is in dit verband onvoldoende, reeds omdat daaruit evenmin volgt dat de gastouder is betaald. Gelet op het vorenstaande, heeft de Belastingdienst door [appellant] niet aannemelijk gemaakt mogen achten dat hij de gastouder heeft betaald en daarmee kosten voor kinderopvang heeft gemaakt. Hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd behoeft geen bespreking.