Uitspraak
200606713/1), valt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 44, tweede lid, van de Paspoortwet (Kamerstukken II 1987/88, 20 393, nr. 3, blz. 49-50 en 63) af te leiden dat bedoeld is dat de bevoegde autoriteit na ontvangst van een aanvraag om afgifte van een paspoort van een persoon die in het register staat vermeld onderzoekt of de gronden tot weigering zodanig zijn, dat afgifte van het paspoort moet worden geweigerd, dient de vraag naar de juistheid van de vermelding in het register bij de beoordeling van de aanvraag van een nieuw paspoort te worden betrokken en dient in die procedure te worden onderzocht of de gronden voor vermelding in het register nog aanwezig zijn.
200806957/1/H3, volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 22 van Pro de Paspoortwet (Kamerstukken II 1987/88, 20 393, nr. 3, blz. 42-44) dat, omdat invordering van de in die bepaling bedoelde schulden in het buitenland aanzienlijk problematischer is dan in het Koninkrijk, bedoeld is dat bij een betrokkene die zich reeds in het buitenland heeft gevestigd, eerder een gegrond vermoeden zal kunnen bestaan dat deze zich aan zijn verplichtingen zal onttrekken. Nu [appellant] in het buitenland woont en er geen zekerheden zijn dat hij de schuld zal aflossen, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat een dergelijk vermoeden gegrond is.