Uitspraak
200906255/1/H1), betreft het begrip bijgebouw in artikel 20 van Pro het Bro een zelfstandig begrip waarvan de uitleg niet afhankelijk kan worden gesteld van hetgeen daaromtrent in gemeentelijke bestemmingsplannen is bepaald. Voor het aanwenden van de bevoegdheid vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO, gelezen in verbinding met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Besluit ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985), is alleen dan plaats, indien het bouwplan betrekking heeft op een bijgebouw als in artikel 20 van Pro het Bro 1985 bedoeld. Nu het begrip bijgebouw noch in artikel 20 van Pro het Bro 1985 noch elders in dat besluit is gedefinieerd, moet aansluiting worden gezocht bij de in de jurisprudentie ter zake ontwikkelde criteria. Volgens deze vaste jurisprudentie moet onder bijgebouw worden verstaan een gebouw dat zowel in bouwkundige als in functionele zin ondergeschikt is aan en ten dienste staat van een hoofdgebouw.