Uitspraak
201003902/1/R4en 23 mei 2012 in zaak nr.
201108262/1/R2overweegt de Afdeling dat uit de omstandigheid dat sinds de aanvang van het gebruik als recreatiewoning niet is opgetreden tegen dit gebruik en uit de omstandigheid dat het gebruik al langere tijd onder de werking van het overgangsrecht valt, niet volgt dat aan het desbetreffende perceel een woonbestemming moet worden toegekend. Het uitgangspunt van het plan, een bedrijventerrein met een groen en landschappelijk karakter, staat er aan in de weg het gebruik van de recreatiewoning en bijbehorende opstallen als zodanig te bestemmen. Ter zitting heeft de raad verklaard dat, indien nodig, het middel van onteigening zal worden ingezet om het desbetreffende perceel te verwerven. Onder deze omstandigheden acht de Afdeling aannemelijk dat het gebruik van de recreatiewoning en bijbehorende opstallen binnen de planperiode wordt beëindigd en de groenbestemming in zoverre binnen de planperiode zal worden gerealiseerd.
200905555/1/R1 en 200906452/1/R1overweegt de Afdeling dat, gelet op de systematiek van de Wro en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6.13 van de Wro, de raad bij de vaststelling van een exploitatieplan het exploitatiegebied zodanig dient te begrenzen dat planologisch of functioneel een duidelijke samenhang tussen delen van het exploitatiegebied bestaat. Bij de toepassing van deze criteria komt de raad beoordelingsvrijheid toe.