Uitspraak
200506292/1) kunnen de beleidsuitspraken opgenomen in paragraaf 11.6.1. van het Reconstructieplan op grond van het daarin gemaakte voorbehoud niet rechtstreeks doorwerken naar bestemmingsplannen en zijn deze te weinig concreet om als grondslag te dienen voor het aanmerken van (delen van) het reconstructieplan als vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Dit laat evenwel onverlet dat deze beleidsuitspraken bij de vaststelling en toetsing van bestemmingsplannen behoren te worden betrokken. Het college heeft dat gedaan door zich in de ruimtelijke onderbouwing van het projectbesluit op het standpunt te stellen dat de uitgangspunten uit het Reconstructieplan leidend zijn voor zijn planvorming.
200900801/1/R3heeft de Afdeling overwogen dat, indien de voor veehouderijen toepasselijke individuele geurnorm wordt overschreden, hieruit niet volgt dat ter plaatse geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat bestaat en daarmee de zogenoemde omgekeerde werking van de ter plaatse toepasselijke geurnormen verlaten.