ECLI:NL:RVS:2012:BX9303

Raad van State

Datum uitspraak
23 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201201474/1/V4.
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • H.G. Sevenster
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 32 Richtlijn 2005/85/EGArt. 34 Richtlijn 2005/85/EGArt. 85 Vreemdelingenwet 2000Art. 91 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling heeft bij besluit van 6 juni 2011 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister is afgewezen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond op 10 januari 2012. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State heeft in haar beoordeling onder meer de implementatie van artikel 32 van Pro de Procedurerichtlijn (2005/85/EG) besproken en bevestigd dat dit artikel niet in strijd is met het nationale beoordelingskader omtrent het ne bis in idem-beginsel. Tevens is overwogen dat artikel 34, tweede lid, van de Procedurerichtlijn niet in het Nederlandse recht is geïmplementeerd, maar dat dit niet leidt tot een andere uitkomst.

De overige aangevoerde grieven zijn niet voldoende om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen. De Raad van State verklaart het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201201474/1/V4.
Datum uitspraak: 23 juli 2012
Raad van State
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
(de vreemdeling),
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 10 januari 2012 in zaak nr. 11/21876 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister voor Immigratie en Asiel.
1. Procesverloop
Bij besluit van 6 juni 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 10 januari 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 7 februari 2012, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De minister (thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel) heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.
2.2. De in de eerste grief vervatte rechtsvraag over de implementatie van artikel 32 van Pro de richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (hierna: de Procedurerichtlijn) heeft de Afdeling eerder beantwoord in de uitspraak van 7 juli 2010 in zaak nr. 200907796/1/V2 (www.raadvanstate.nl). In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat artikel 32 van Pro de Procedurerichtlijn zich niet verzet tegen de toepasselijkheid van het beoordelingskader dat voortvloeit uit het algemeen rechtsbeginsel, volgens hetwelk niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak (ne bis in idem). Daarbij heeft zij van belang geacht dat het onderzoek dat ingevolge artikel 32, tweede en derde lid, van de Procedurerichtlijn moet worden verricht om uit te maken of er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn, vergelijkbaar is met voormelde door de bestuursrechter te verrichten beoordeling. Uit de uitspraak van de Afdeling 28 juni 2012 in zaak nr. 201113489/1/V4 (www.raadvanstate.nl) volgt dat het betoog in die zaak over artikel 32 van Pro de Procedurerichtlijn en over de in voormelde uitspraak van 7 juli 2010 gegeven uitleg aan dit artikel, welk betoog vergelijkbaar is met hetgeen in deze zaak in de grief is aangevoerd, niet tot een ander oordeel leidt en dat dit betoog faalt. Hieruit volgt dat de grief in zoverre faalt.
2.2.1. Voorts klaagt de vreemdeling in de eerste grief dat, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, artikel 32 niet Pro los kan worden gezien van het bepaalde in artikel 34, tweede lid, van de Procedurerichtlijn en dat, omdat dit laatste artikel niet in het nationale recht is geïmplementeerd, de rechtbank ten onrechte niet heeft onderzocht of de door de minister verrichte beoordeling in strijd is met de Procedurerichtlijn.
2.2.2. Volgens artikel 32, tweede lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn, voor zover thans van belang, kunnen de lidstaten een specifieke procedure zoals bedoeld in het derde lid toepassen wanneer een persoon een volgend asielverzoek indient nadat een beslissing is genomen over het vorige verzoek.
Volgens het derde lid, voor zover thans van belang, moet een volgend asielverzoek eerst aan een voorafgaand onderzoek worden onderworpen om uit te maken of er, na de in het tweede lid, onder b, bedoelde beslissing inzake dit verzoek, nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn of door de asielzoeker zijn voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij voor erkenning als vluchteling in aanmerking komt overeenkomstig richtlijn 2004/83/EG.
Volgens het vierde lid wordt het verzoek verder behandeld overeenkomstig hoofdstuk II, indien na het in het derde lid bedoelde voorafgaande onderzoek nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn of door de asielzoeker zijn voorgelegd die de kans aanzienlijk groter maken dat de asielzoeker voor erkenning als vluchteling in aanmerking komt krachtens richtlijn 2004/83/EG.
Volgens het vijfde lid kunnen de lidstaten overeenkomstig hun nationale wetgeving een hernieuwd verzoek verder behandelen wanneer er andere redenen zijn om een procedure te heropenen.
Volgens het zesde lid kunnen de lidstaten besluiten het verzoek enkel verder te behandelen, indien de betrokken asielzoeker buiten zijn toedoen de in het derde, vierde en vijfde lid beschreven situaties in het kader van de vorige procedure niet kon doen gelden, in het bijzonder door zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel krachtens artikel 39 uit Pro te oefenen.
Volgens artikel 34, tweede lid, voor zover thans van belang, kunnen lidstaten in hun interne recht regels inzake het voorafgaande onderzoek ingevolge artikel 32 neerleggen Pro. Deze regels mogen de toegang voor asielzoekers tot een nieuwe procedure niet onmogelijk maken en evenmin leiden tot daadwerkelijke ontzegging of vergaande inperking van een dergelijke toegang.
2.2.3. Nu uit de bewoordingen van artikel 34, tweede lid, van de Procedurerichtlijn volgt dat het aan de lidstaten is om te bepalen of zij in hun interne recht regels inzake het voorafgaande onderzoek ingevolge artikel 32 neerleggen Pro en volgens de Memorie van Toelichting op het voorstel van Wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van de Procedurerichtlijn, gelezen in samenhang met de transponeringstabel (Kamerstukken II, 2006/07, 30 976, nr. 3, p. 5 en 16), Nederland van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, kan de grief in zoverre evenmin slagen.
2.3. Hetgeen voor het overige is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter w.g. Prins
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2012
363-643.
Verzonden: 23 juli 2012
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser