ECLI:NL:RVS:2012:BX9567
Raad van State
- Tussenuitspraak bestuurlijke lus
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over verblijfsrecht familieleden van Unieburgers na terugkeer uit andere lidstaat
De zaak betreft twee hoger beroepen van vreemdelingen die hun verblijfsrecht als familieleden van een burger van de Europese Unie betwisten na terugkeer naar de lidstaat van nationaliteit van die burger. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onderzoekt of de richtlijn 2004/38/EG analoog moet worden toegepast op familieleden van Unieburgers die als ontvangers van diensten in een andere lidstaat verbleven en vervolgens terugkeren.
De Afdeling analyseert de voorwaarden waaronder het verblijfsrecht aan deze familieleden kan worden toegekend, met bijzondere aandacht voor de vereiste minimale verblijfsduur in de andere lidstaat en de vraag of aaneengesloten verblijf noodzakelijk is of dat frequente, niet-aaneengesloten verblijven volstaan. Tevens wordt onderzocht of tijdsverloop tussen terugkeer van de Unieburger en overkomst van het familielid het verblijfsrecht kan doen vervallen.
De Afdeling verwijst naar jurisprudentie van het Hof van Justitie, waaronder de arresten Singh en Eind, en overweegt dat de richtlijn niet restrictief mag worden uitgelegd en dat het fundamentele recht van vrij verkeer en verblijf moet worden gewaarborgd. De behandeling van de hoger beroepen wordt geschorst totdat het Hof uitspraak doet op de gestelde prejudiciële vragen.
Uitkomst: De behandeling van de hoger beroepen wordt geschorst en prejudiciële vragen worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.