ECLI:NL:RVS:2012:BY0379

Raad van State

Datum uitspraak
17 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201201759/1/A1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.23 WroArt. 4.1.1 Besluit ruimtelijke ordeningArt. 24 planvoorschriftenArt. 1 Wijzigingsplan perceel
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van ontheffing bouwvergunning ondanks strijd met bestemmingsplan Woondoeleinden

Het college van Bodegraven verleende op 3 november 2010 een bouwvergunning voor het gedeeltelijk vernieuwen van een opslagruimte op een perceel met de bestemming Woondoeleinden. Het bouwplan voorzag in een opslagruimte van 150 m², terwijl de oorspronkelijke opslagruimte ongeveer 200 m² was, wat strijdig is met de planvoorschriften die een maximale oppervlakte van 50% van de afgebroken bebouwing voorschrijven.

Het college verleende daarop ontheffing van het bestemmingsplan op grond van artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het besluit van het college, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde bij hoger beroep dat het college in redelijkheid ontheffing kon verlenen.

De Afdeling overwoog dat het college een ruime beleidsvrijheid heeft bij de toepassing van artikel 3.23 Wro en dat de belangen van de vergunninghouder zwaarder mochten wegen dan die van appellant. Ook werd meegewogen dat de nieuwe opslagruimte kleiner is dan de oorspronkelijke en dat de onderneming van appellant niet wordt belemmerd in haar uitbreidingsmogelijkheden.

Het betoog van appellant dat het bouwplan niet aan het beleid voldoet en dat het college het bouwplan ten onrechte niet aan de planvoorschriften heeft getoetst, werd verworpen. De Afdeling concludeerde dat de ontheffing rechtsgeldig is verleend en wees het hoger beroep af.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201201759/1/A1.
Datum uitspraak: 17 oktober 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellante B], beiden wonend te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk (hierna: [appellant])
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 januari 2012 in zaak nr. 11/7179 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk, voorheen gemeente Bodegraven.
Procesverloop
Bij besluit van 3 november 2010 heeft het college van Bodegraven aan [vergunninghoudster] een reguliere bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk vernieuwen van een opslagruimte op het perceel [locatie] te Bodegraven (hierna: het perceel).
Bij besluit van 11 augustus 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 3 november 2010 in stand gelaten, alsmede ontheffing verleend.
Bij uitspraak van 11 januari 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 augustus 2011 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2012, waar [appellant A], bijgestaan door mr. J.M. Smits en het college vertegenwoordigd door C.T. de Koning, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster] gehoord.
Overwegingen
1. Ingevolge het ten tijde van het besluit van 11 augustus 2011 geldende "Wijzigingsplan perceel [locatie] in Bodegraven" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden".
Artikel 1 van Pro de planvoorschriften bepaalt dat het wijzigingsplan onderdeel uit maakt van het bestemmingsplan "Buitengebied" van de gemeente Bodegraven met dien verstande dat, voor zover hier van belang, voor de gronden met de bestemming "Woondoeleinden" geldt dat de gebouwen niet mogen worden uitgebreid, behoudens hetgeen is gesteld in artikel 24, tweede lid, sub b, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied".
Ingevolge artikel 24, tweede lid, onder a, van de bestemmingsplanvoorschriften mogen ter plaatse van agrarische bouwvlakken voor de in tabel 4.2 bedoelde functies geen nieuwe gebouwen worden gebouwd. Evenmin mogen de gebouwen, zoals aanwezig op het tijdstip waarop het in tabel 4.2 bedoelde gebruik een aanvang neemt, qua oppervlakte en hoogte worden uitgebreid.
Ingevolge het tweede lid, onder b, is het college bevoegd ten behoeve van nieuwbouw vrijstelling te verlenen van voorschrift 2, onder a, in ruil voor afbraak van aanwezige gebouwen die noch solitair noch in samenhang met andere bebouwing cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen met inachtneming van het volgende:
- de oppervlakte van de nieuw op te richten gebouwen mag maximaal 50% bedragen van de oppervlakte van de bebouwing die wordt afgebroken met een maximum van 150 m²;
- de herbouw dient te passen in een (her)inrichtingsplan voor het betreffende bouwvlak waarbij erfbeplanting wordt aangebracht en waarbij doorzichten naar de achterliggende polders zo mogelijk worden hersteld; er dient zekerheid te zijn verkregen dat het (her)inrichtingsplan daadwerkelijk zal worden uitgevoerd, met inachtneming van hetgeen hierover in de Beschrijving in Hoofdlijnen is bepaald.
2. Het bouwplan voorziet in de herbouw van een opslagruimte met een oppervlakte van 150 m². Aangezien de voorheen op het perceel aanwezige opslagruimte een oppervlakte had van ongeveer 200 m² is het bouwplan in strijd met het bepaalde in artikel 24, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften in samenhang bezien met artikel 1 van Pro het Wijzigingsplan. Om het bouwplan mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 3.23, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in verbinding met artikel 4.1.1., eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening ontheffing van het bestemmingsplan verleend.
3. Ter zitting heeft [appellant] zijn hoger beroepsgrond dat de rechtbank heeft miskend dat het college de bouwvergunning niet mocht verlenen, omdat de opslagruimte in strijd met de bestemming "Woondoeleinden" bedrijfsmatig zal worden gebruikt, ingetrokken.
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid ontheffing kon verlenen. Hij voert daartoe aan dat het college het bouwplan ten onrechte niet heeft getoetst aan het in artikel 24, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften en in de Beschrijving in Hoofdlijnen opgenomen beleid op grond waarvan het gebouw na herbouw minimaal dient te worden gehalveerd en moet passen in het (her)inrichtingsplan, waarbij erfbeplanting dient te worden aangebracht en doorzichten naar de polders dienen te worden hersteld. Met het verlenen van de ontheffing kunnen deze uitgangspunten van beleid niet worden gepasseerd, aldus [appellant].
4.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college in redelijkheid ontheffing van het wijzigingsplan heeft kunnen verlenen. Daarbij heeft zij terecht overwogen dat het college bij toepassing van artikel 3.23 van de Wro, gelet op de bewoordingen van dit artikel, een ruime mate van beleidsvrijheid toekomt en dat het college de belangen van [vergunninghoudster] zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen van [appellant]. De rechtbank heeft daarbij terecht van betekenis geacht dat de oppervlakte van de opslagruimte kleiner wordt en de hoogte hetzelfde blijft als het bouwwerk dat eerst op dezelfde plek stond en dat de onderneming van [appellant] door het realiseren van het bouwplan niet wordt belemmerd in haar uitbreidingsmogelijkheden. Bovendien is toetsing aan artikel 24, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften en de Beschrijving in Hoofdlijnen niet aan de orde, vanwege de verleende ontheffing van het wijzigingsplan. Dat het college geen beleidsregels heeft opgesteld over de toepassing van artikel 3.23 van de Wro doet, anders dan [appellant] ter zitting heeft betoogd, daaraan niet af.
Het betoog faalt.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.
w.g. Wortmann w.g. Van Driel
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2012
414-757.