Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 47 Wet op de Raad van State
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging bouwvergunningen en niet-ontvankelijkheid beroepen tegen besluiten stadsdeel Amsterdam
Het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost te Amsterdam heeft op 16 maart 2010 bouwvergunningen verleend aan Stichting Ymere voor het oprichten van woongebouwen op twee percelen in Amsterdam. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens werden beroepen ingesteld bij de rechtbank Amsterdam, die deze beroepen grotendeels ongegrond of niet-ontvankelijk verklaarde.
Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak behandelde het verzoek en het hoger beroep. Appellant voerde aan dat hij als belanghebbende moest worden aangemerkt vanwege de overlast door de bouwwerkzaamheden en de nabijheid van zijn woning tot het bouwplan.
De Raad van State oordeelde dat appellant terecht niet als belanghebbende was aangemerkt, omdat zijn woning op aanzienlijke afstand van het bouwplan ligt, met woonblokken ertussen, en hij geen objectieve gegevens had overgelegd die dit tegenspraken. Ook stelde de Raad vast dat appellant geen belang had bij de niet-ontvankelijk verklaarde beroepen van andere belanghebbenden. Het hoger beroep werd daarom deels niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt daarmee de eerdere beslissing van de rechtbank Amsterdam.
Uitkomst: Het hoger beroep is deels niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond; het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.
Uitspraak
201203429/1/A1 en 201203429/2/A1.
Datum uitspraak: 16 oktober 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 vanPro die wet, op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Amsterdam,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 februari 2012 in zaak nr. 10/3892 in het geding tussen:
[appellant] en anderen
en
het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost.
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 16 maart 2010 heeft het dagelijks bestuur aan de Stichting Ymere te Amsterdam onder vrijstelling van het bestemmingsplan reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woongebouw op het perceel Vrolikstraat 245 t/m 251 te Amsterdam en een woongebouw met parkeergarage op het perceel 3e Oosterparkstraat 44 t/m 66 te Amsterdam.
Bij besluit van 29 juni 2010, voor zover thans van belang, heeft het het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 9 augustus 2011 heeft het de door [appellant] en de stichtingen Stichting Monumentenbehoud Nederland en Stichting Monumentenbehoud Noord-Holland gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 16 februari 2012 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard, voor zover het is ingesteld door [appellant] en niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door de anderen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief van 31 maart 2012, bij de Raad van State ingekomen op 3 april 2012, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij de brieven van 24 en 30 april 2012. Voorts heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2012, waar [appellant] in persoon en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. S.F.M. Heijsen, zijn verschenen. Voorts is daar de stichting Ymere, vertegenwoordigd door mr. M.A. Grapperhaus, advocaat te Amsterdam, gehoord.
Overwegingen
1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. [appellant] heeft ten betoge dat dit niet gebeurt ter zitting gewezen op het tegen de aangevallen uitspraak door [2 belanghebbenden] ingestelde hoger beroep. Bij de uitspraak van de Afdeling van heden in zaak nr. 201203429/3/A1 is dit hoger beroep echter niet-ontvankelijk verklaard.
2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij belanghebbende bij de besluiten van 16 maart 2010 is, nu hij veel overlast in de vorm van trillingen en stank van de bouwwerkzaamheden ondervindt, zicht heeft op de werktuigen die ten behoeve van de bouw worden gebruikt en zijn woning zich, anders dan het college stelt, op slechts 93 m van het bouwplan bevindt.
2.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het dagelijks bestuur [appellant] terecht niet als belanghebbende bij de besluiten van 16 maart 2010 heeft aangemerkt. Daartoe heeft zij terecht in aanmerking genomen dat uit de gedingstukken blijkt dat de woning van [appellant] zich op geruime afstand van het bouwplan bevindt, zich tussen zijn woning en de locatie van het bouwplan een aantal woonblokken bevinden en hij vanuit zijn woning daarop geen zicht kan hebben. De stelling dat zijn woning zich op kortere afstand van het bouwplan bevindt, dan waarvan het dagelijks bestuur is uitgegaan, heeft [appellant] niet met objectieve gegevens toegelicht. Dat hij, als gesteld, overlast van de bouwwerkzaamheden ondervindt, vormt voorts geen reden om hem niettemin als belanghebbende bij de besluiten van 16 maart 2010 aan te merken.
Het betoog faalt.
3. [appellant] betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank de beroepen van [3 belanghebbenden] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Hij is wat betreft de uitspraak van de rechtbank, voor zover de beroepen van [3 belanghebbenden] daarbij niet-ontvankelijk zijn verklaard, geen belanghebbende, als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Wet op de Raad van State. Derhalve dient het hoger beroep, voor zover dat tegen die onderdelen van de aangevallen uitspraak is gericht, niet-ontvankelijk te worden verklaard.
4. Het hoger beroep is voor het overige ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.
5. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk, voor zover dat is gericht tegen de niet-ontvankelijk verklaring van de beroepen van [3 belanghebbenden];
II. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
III. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, ambtenaar van staat.