Uitspraak
200204614/1) in de regel ook andere factoren bij het oordeel over de vraag of ter plaatse een reëel agrarisch bedrijf aanwezig is moeten worden betrokken.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst weigerde op 5 augustus 2010 een reguliere bouwvergunning voor het veranderen van een schuur op een perceel te verlenen. Na een bezwaarprocedure verklaarde het college het bezwaar ongegrond. De rechtbank Zutphen oordeelde op 18 april 2012 echter dat het bezwaar gegrond was en vernietigde het besluit, waarbij het college werd opgedragen opnieuw te beslissen.
Het college stelde hoger beroep in en verzocht de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzitter behandelde het verzoek op 27 september 2012, waarbij partijen werden gehoord.
De kern van het geschil betreft de vraag of op het perceel een reëel agrarisch bedrijf wordt geëxploiteerd, hetgeen bepalend is voor de vergunningverlening. Het college stelde dat de rechtbank ten onrechte te veel gewicht had toegekend aan het winstoogmerk van de wederpartij en onvoldoende rekening had gehouden met andere factoren die bij de beoordeling van agrarisch gebruik een rol spelen.
De voorzitter concludeerde dat de voorlopige voorziening noodzakelijk is omdat het toewijzen van het hoger beroep waarschijnlijk zal leiden tot verlening van de bouwvergunning. Daarom werd bepaald dat het college geen nieuw besluit hoeft te nemen totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het college hoeft geen nieuw besluit te nemen totdat de Afdeling bestuursrechtspraak op het hoger beroep heeft beslist.