Uitspraak
200902660/1/M2) geoordeeld dat de woning van [partij] op dusdanige afstand van het bedrijf van [appellante] ligt dat het, gelet op de aard en de omvang ervan, aannemelijk is dat daar milieugevolgen van de inrichting kunnen worden ondervonden. Gelet hierop is niet onaannemelijk dat de aanwezigheid van de woning gevolgen kan hebben voor de bedrijfsvoering van [appellante]. Gelet op het vorenstaande heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat [appellante] niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het door haar gedane verzoek om handhaving is mitsdien aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb en de beslissing op die aanvraag als een besluit in de zin van het eerste lid van dat artikel. Het college heeft het door [appellante] gemaakte bezwaar derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard als niet zijnde gericht tegen een besluit. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog slaagt. Het vorenstaande laat onverlet dat het hebben van belang niet met zich brengt dat reeds daarom handhavend moet worden opgetreden, nu het college alsnog inhoudelijk op het verzoek van [appellante] dient te beslissen.