ECLI:NL:RVS:2012:BY2120

Raad van State

Datum uitspraak
31 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201208863/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
  • A.B.M. Hent
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 66a Vw 2000Art. 62 Vw 2000Art. 64 Vw 2000Art. 6.5 VV 2000Art. 85 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van het ongegrond verklaren van het inreisverbod en de inbewaringstelling van vreemdeling

De vreemdeling werd bij besluit van 13 augustus 2012 opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en kreeg een inreisverbod opgelegd, gevolgd door inbewaringstelling. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze besluiten ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.

De vreemdeling stelde in hoger beroep dat het inreisverbod onrechtmatig was uitgevaardigd omdat het zou zijn gebaseerd op een gevaar voor de openbare orde, terwijl de bevoegde ambtenaar dit besluit niet had mogen nemen. De Raad van State oordeelde dat de grond dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde onderdeel is van het terugkeerbesluit en niet van het inreisverbod zelf. Tevens werd vastgesteld dat het inreisverbod niet krachtens artikel 66a, zevende lid, Vreemdelingenwet 2000 was uitgevaardigd.

De overige grieven werden eveneens verworpen omdat zij geen relevante rechtsvragen opriepen. De Raad van State verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201208863/1/V3
Datum uitspraak: 31 oktober 2012
Raad van State
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
(de vreemdeling),
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 3 september 2012 in zaken nrs. 12/25947 en 12/25950 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.
Procesverloop
Bij besluit (hierna: besluit I) van 13 augustus 2012 heeft de minister de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en tegen haar een inreisverbod uitgevaardigd. Bij besluit van dezelfde datum is de vreemdeling vervolgens in vreemdelingenbewaring gesteld. Deze besluiten zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 3 september 2012 heeft de rechtbank in zaak nr. 12/25950 het door de vreemdeling tegen het inreisverbod ingestelde beroep ongegrond verklaard en in zaak nr. 12/25947 het door de vreemdeling tegen de inbewaringstelling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) vaardigt de minister een inreisverbod uit tegen een vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet Pro van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000.
Ingevolge het zevende lid, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, kan de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt geen rechtmatig verblijf hebben in geval de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde.
Ingevolge artikel 6.5, tweede lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: het VV 2000), voor zover thans van belang, wordt het inreisverbod, indien daaraan de rechtsgevolgen, bedoeld in artikel 66a, zevende lid, zijn verbonden, uitgevaardigd door de ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst die daartoe bevoegd is.
2. In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het tegen de vreemdeling uitgevaardigde inreisverbod er geen blijk van geeft dat daaraan de rechtsgevolgen, als bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000, zijn verbonden.
Daartoe voert zij aan dat in de toelichting op het inreisverbod staat vermeld dat het inreisverbod mede wordt opgelegd omdat zij een gevaar vormt voor de openbare orde aangezien zij verdachte is van een misdrijf. Dat betekent dat aan het inreisverbod de rechtsgevolgen van voormeld artikel 66a, zevende lid, zijn verbonden, zodat de hulpofficier van justitie niet bevoegd was het inreisverbod uit te vaardigen, gelet op artikel 6.5, tweede lid, van het VV 2000, aldus de vreemdeling.
2.1. Anders dan de vreemdeling betoogt maakt de grond in besluit I van 13 augustus 2012 dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde aangezien zij verdachte is van een misdrijf, geen deel uit van de toelichting op het inreisverbod, maar van de gronden die aan het terugkeerbesluit ten grondslag zijn gelegd.
Voorts vermeldt besluit I van 13 augustus 2012 dat, wanneer blijkt dat op de vreemdeling artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 van toepassing is, het mogelijk is dat zij alsnog van de minister op grond daarvan een inreisverbod krijgt opgelegd.
Uit het vorenstaande blijkt dat de minister geen inreisverbod krachtens artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 heeft uitgevaardigd en dat daarom aan besluit I van 13 augustus 2012 niet de in deze bepaling bedoelde rechtsgevolgen zijn verbonden. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het inreisverbod, gelet op artikel 6.5, tweede lid, van het VV 2000 onbevoegd is uitgevaardigd.
De grief faalt.
3. Hetgeen als overige grieven is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van staat.
w.g. Troostwijk
voorzitter w.g. Van de Kolk
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2012
347-644
Verzonden: 31 oktober 2012
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser