ECLI:NL:RVS:2012:BY2454

Raad van State

Datum uitspraak
31 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201209056/1/A1 en 201209056/2/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
  • J.A.W. van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 17.1 bestemmingsplan Den Dungen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing gebruik perceel voor bedrijfsdoeleinden in strijd met bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel wees het verzoek af om handhavend op te treden tegen het gebruik van percelen door een garagebedrijf voor bedrijfsdoeleinden, waaronder het stallen en tonen van auto's. De rechtbank 's-Hertogenbosch verklaarde het beroep van de wederpartij gegrond en vernietigde het besluit van het college, waarbij het college werd opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Het college stelde in hoger beroep dat het stallen van auto's gelijkgesteld kan worden aan parkeren, hetgeen volgens het bestemmingsplan 'Den Dungen' is toegestaan. De Raad van State oordeelde echter dat het gebruik voor het tonen en stallen van auto's met het oog op verkoop niet valt onder het begrip parkeren, dat volgens algemeen spraakgebruik het plaatsen van auto's na een rit op een daartoe bestemde plaats betreft.

De Raad van State bevestigde dat het gebruik van het perceel in strijd is met de bestemming 'Verkeers- en verblijfsdoeleinden (VV)' zoals vastgelegd in het bestemmingsplan. Het hoger beroep van het college werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en het gebruik van het perceel voor het stallen van auto's is in strijd met het bestemmingsplan.

Uitspraak

201209056/1/A1 en 201209056/2/A1.
Datum uitspraak: 31 oktober 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 augustus 2012 in zaak nr. 10/2846 in het geding tussen:
[wederpartijen] (hierna tezamen en in enkelvoud: [wederpartij]), allen wonend te Dungen,
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 13 januari 2010 heeft het college, voor zover thans van belang, het verzoek van [wederpartij] afgewezen om handhavend op te treden tegen het gebruik van de percelen aan de [locatie] en het naastgelegen voormalig tennisveldje door [partij] voor bedrijfsdoeleinden.
Bij besluit van 15 juli 2010 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 augustus 2012 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep, voor zover thans van belang, gegrond verklaard, het besluit van 15 juli 2010 in zoverre vernietigd, en het college opgedragen om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
Het college heeft daarbij tevens aan de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college en [wederpartij] hebben nadere stukken ingediend.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 oktober 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A.A.J. van Dalsen, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartijen], bijgestaan door mr. M. de Jong, advocaat te 's-Hertogenbosch, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], bijgestaan door mr. W. Krijger, als partij gehoord.
Overwegingen
1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het stallen van auto's door het garagebedrijf van [partij] op het voormalig tennisveldje (hierna: het perceel) in strijd is met de aan het perceel gegeven bestemming. Het college voert daartoe aan dat dit gebruik op een lijn valt te stellen met het parkeren van auto's hetgeen op grond van artikel 17.1, aanhef en onder c, van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Den Dungen" is toegestaan.
2.1.    Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden (VV)".
Ingevolge artikel 17.1 van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor de volgende doeleinden:
a. wegen, ontsluitingswegen en paden;
b. infrastructurele voorzieningen;
c. parkeervoorzieningen;
d. verhardingen;
e. groen en groenvoorzieningen;
f. speelvoorzieningen;
g. (open) water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
h. nutsvoorzieningen
2.2.    Als onvoldoende weersproken is komen vast te staan dat het garagebedrijf van [partij] op het perceel bedrijfsmatig auto's stalt zodat deze kunnen worden bezichtigd door potentiële klanten en verkocht. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit gebruik niet op een lijn valt te stellen met het parkeren van auto's. Onder parkeren wordt immers volgens het algemeen spraakgebruik, zoals dat door het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal wordt omschreven, verstaan, het na een volbrachte rit op of in de nabijheid van de bestemming plaatsen op een daartoe bestemde plaats of in een daarvoor bestemde ruimte. Dit omvat niet het ten toon stellen of het stallen van auto's met het oog op bezichtiging en verkoop ervan. Dat op het perceel geen werkzaamheden plaatsvinden en op of in de auto's geen informatie zichtbaar is over de vraagprijs of de technische kwaliteiten van de auto's, leidt niet tot het oordeel dat het perceel wordt gebruikt voor het parkeren van auto's.
Verder betoogt het college tevergeefs dat met het bestemmingsplan is beoogd om het stallen van auto's ten behoeve van het garagebedrijf mogelijk te maken, reeds omdat deze bedoeling niet in de planvoorschriften tot uitdrukking is gebracht. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het gebruik dat [partij] aldus van het perceel maakt in strijd is met de daaraan gegeven bestemming. Het betoog faalt.
3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
5.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    wijst het verzoek af;
III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel tot vergoeding van bij [wederpartijen] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 474,12 (zegge: vierhonderdvierenzeventig euro en twaalf cent), waarvan € 37,12 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV.    bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel een griffierecht van € 466,00 (zegge: vierhonderdzesenzestig euro) wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.
w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Van Leeuwen
voorzitter    ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2012
543.