ECLI:NL:RVS:2012:BY2467

Raad van State

Datum uitspraak
31 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201209649/2/A4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19d Nbw 1998Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen visserijverbod in Natura 2000-gebied

Het college van gedeputeerde staten van Flevoland verleende op 24 januari 2012 aan PO IJsselmeer een vergunning voor beroepsmatige visserij in het Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer. Op 28 augustus 2012 wijzigde het college het vergunningvoorschrift 16, waarbij het eerdere beperkte visverbod met staand want (alleen netten met maaswijdte kleiner dan 140 mm) werd uitgebreid tot een algeheel verbod in de periode van 1 november tot 1 maart binnen een zone van 3 km tot aan de Houtribdijk.

PO IJsselmeer verzocht om schorsing van dit algehele visverbod omdat zij van mening is dat het college ten onrechte de beperking heeft laten vervallen en dat het verbod grote gevolgen heeft voor visserijbedrijven. De voorzitter oordeelde dat het college bevoegd was het algehele verbod op te leggen, omdat niet is uitgesloten dat vissen met staand want, ongeacht maaswijdte, significante gevolgen kan hebben voor de vogelsoorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Er was geen onderzoek beschikbaar dat de effecten van het opheffen van het verbod of het beperken ervan tot netten met een bepaalde maaswijdte kon uitsluiten. Daarom kon niet worden beoordeeld of een vergunning voor vissen met staand want in die periode en zone mogelijk was. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het algehele visverbod met staand want in het Natura 2000-gebied is afgewezen.

Uitspraak

201209649/2/A4.
Datum uitspraak: 31 oktober 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatieve Producentenorganisatie Nederlandse Vissersbond IJsselmeer U.A. (hierna: PO IJsselmeer), gevestigd te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder,
verzoekster,
en
het college van gedeputeerde staten van Flevoland,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 24 januari 2012 heeft het college krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) aan PO IJsselmeer vergunning verleend voor het uitoefenen van de beroepsmatige visserij in het Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer.
Bij besluit van 28 augustus 2012, verzonden op 29 augustus 2012, heeft het college besloten op het door de vereniging Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: de Vogelbescherming) hiertegen gemaakte bezwaar en, voor zover thans van belang, vergunningvoorschrift 16 gewijzigd.
Tegen dit besluit heeft onder meer PO IJsselmeer beroep ingesteld.
Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft PO IJsselmeer de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 oktober 2012, waar PO IJsselmeer, vertegenwoordigd door mr. S. Maakal, advocaat te Heerenveen, en ing. D.J.T. Berends, en het college, vertegenwoordigd door ing. N.P.I. Bolt, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de Vogelbescherming, vertegenwoordigd door mr. A. Doesburg, gehoord.
Overwegingen
1.    Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.    Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 is het verboden zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.
3.    Ingevolge het aan de vergunning van 28 augustus 2012 verbonden voorschrift 16 is het verboden om van 1 november tot 1 maart met staand want te vissen binnen een zone van 3 km tot aan de Houtribdijk. Dit verbod was bij het besluit van 24 januari 2012 beperkt tot het vissen met staand want met een maaswijdte kleiner dan 140 mm. Het college stelde zich destijds op het standpunt dat die beperking van het visverbod in de vergunning kon worden opgenomen, omdat de vogels waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen in staat zijn zichzelf te bevrijden uit netten met een maaswijdte van 140 mm of groter. Bij het besluit van 28 augustus 2012 heeft het college die beperking op het visverbod laten vervallen, nu er geen wetenschappelijke onderbouwing voor het eerder door hem ingenomen standpunt is. Volgens het college is een algeheel visverbod nodig om significante gevolgen voor de verschillende vogelsoorten uit te kunnen sluiten.
4.    PO IJsselmeer verzoekt om schorsing van voorschrift 16. Volgens PO IJsselmeer heeft het college de in het besluit van 24 januari 2012 opgenomen beperking bij het bestreden besluit ten onrechte laten vervallen waardoor thans een algeheel visverbod geldt voor het vissen met staand want in de periode van 1 november tot 1 maart in de zone van 3 km tot aan de Houtribdijk. Dit heeft grote gevolgen voor een aantal visserijbedrijven, nu zij in hoge mate afhankelijk zijn van de visserij met staand want in de strook van 3 km langs de Houtribdijk. Naar het oordeel van PO IJsselmeer bestaat voor het opleggen van een algeheel visverbod geen noodzaak, nu met het nemen van een aantal maatregelen kan worden voorkomen dat significante gevolgen optreden voor de aanwezige vogelsoorten.
4.1.    De voorzitter ziet geen grond voor het oordeel dat het college geen verbod tot visserij met staand want in de periode van 1 november tot 1 maart in de zone van 3 km tot aan de Houtribdijk als voorwaarde aan de vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Nbw 1998 had kunnen verbinden, nu niet uitgesloten is dat een vergunning tot vissen met staand want, al dan niet met een maaswijdte van 140 mm of groter in die periode, significante gevolgen kan hebben voor de vogelsoorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen.
Vaststaat dat er geen onderzoek voorhanden is naar de eventuele gevolgen van opheffing van het in voorschrift 16 neergelegde verbod, noch naar de beperking van dit verbod tot het vissen met staand want met een maaswijdte van kleiner dan 140 mm. Bij gebrek aan een dergelijk onderzoek kan niet worden uitgesloten dat het uitoefenen van visserij met staand want, al dan niet met een maaswijdte van 140 mm of groter, in de periode van 1 november tot 1 maart in de zone van 3 km tot aan de Houtribdijk significante gevolgen heeft voor de soorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen. Nu aldus niet kan worden beoordeeld of voor het vissen met staand want, al dan niet met een maaswijdte van 140 mm of groter, in de periode van 1 november tot 1 maart in de zone van 3 km tot aan de Houtribdijk vergunning zou kunnen worden verleend, bestaat geen aanleiding dit bij voorlopige voorziening toe te staan.
5.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.
w.g. Wortmann    w.g. Van Roessel
voorzitter    ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2012
457-687.