Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2012:BY2488

Raad van State

Datum uitspraak
7 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201202113/1/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
  • W. Sorgdrager
  • Y.E.M.A. Timmerman-Buck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen bestuursdwang ontmanteling hennepkwekerij

Het dagelijks bestuur heeft op 1 februari 2008 schriftelijk bevestigd dat bestuursdwang is toegepast voor het ontmantelen van een hennepkwekerij in een woning te Rotterdam en dat de kosten voor rekening van appellant komen. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het dagelijks bestuur verklaarde dit bezwaar op 29 juni 2011 kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond.

Appellant stelde dat het besluit niet correct was bekendgemaakt omdat hij niet op het in de Gemeentelijke Basisadministratie geregistreerde adres woonde, mede vanwege zijn detentie in Duitsland. Hij voerde aan dat de bezwaartermijn daardoor niet was gestart en dat hij niet gehoord was voordat het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard.

De Raad van State oordeelde dat het dagelijks bestuur terecht was uitgegaan van het in de GBA geregistreerde adres, omdat appellant dit niet had gewijzigd ondanks zijn detentie. Het bestuur hoefde geen verder onderzoek te doen naar zijn verblijfplaats en was niet verplicht appellant te horen voorafgaand aan de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201202113/1/A1.
Datum uitspraak: 7 november 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Rotterdam,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 januari 2012 in zaak nr. 11/3394 in het geding tussen:
[appellant]
en
het dagelijks bestuur van de deelgemeente Charlois.
Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2008 heeft het dagelijks bestuur zijn beslissing om jegens [appellant] spoedeisende bestuursdwang toe te passen ter zake van het op 1 januari 2008 ontmantelen van een hennepkwekerij in de woning aan de [locatie] te Rotterdam (hierna: de woning) op schrift gesteld. Daarbij heeft het college bepaald dat de aan de bestuursdwang verbonden kosten voor rekening van [appellant] komen.
Bij besluit van 29 juni 2011 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 16 januari 2012, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 20 januari 2012, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 februari 2012, hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 september 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.S. Wijling, advocaat te Rotterdam, is verschenen.
Overwegingen
1.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het dagelijks bestuur zijn bezwaarschrift ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert hij aan dat het besluit van 1 februari 2008 niet overeenkomstig artikel 3:41 van Pro de Awb is bekendgemaakt, zodat de bezwaartermijn niet eerder is aangevangen dan nadat hij op 12 mei 2011 bekend werd met de inhoud van het besluit. Vervolgens is binnen zes weken bezwaar gemaakt, aldus [appellant]. In dit verband voert [appellant] aan dat dS+V (dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting) bij de ontruiming van de hennepkwekerij op 1 januari 2008 onder meer foto's heeft genomen van in de woning aangetroffen poststukken, waaruit blijkt dat [appellant] op 29 december 2006 in Duitsland in voorlopige hechtenis is genomen. Het dagelijks bestuur had op grond daarvan redelijkerwijs kunnen weten dat [appellant] niet langer in de woning woonachtig was en had niet zonder meer kunnen volstaan met toezending van het besluit aan het in de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: GBA) opgenomen adres.
[appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het dagelijks bestuur niet had mogen besluiten tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar zonder hem te horen.
1.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het dagelijks bestuur het besluit van 1 februari 2008 door toezending daarvan aan het in de GBA opgenomen adres van [appellant] op de daarvoor voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt. De rechtbank heeft daartoe terecht overwogen dat [appellant], door de inschrijving in het GBA-register ongewijzigd te laten gedurende zijn detentie in Duitsland, het risico heeft genomen dat hem correspondentie als hier aan de orde niet zou bereiken. De omstandigheid dat één van de door dS+V tijdens de ontruiming genomen foto's van in de woning aangetroffen poststukken een brief toont waaruit blijkt dat [appellant] op 29 december 2006 in voorlopige hechtenis is genomen, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het dagelijks bestuur ten tijde van het nemen van het besluit van 1 februari 2008 niet langer mocht uitgaan van de juistheid van het in de GBA opgenomen adres, omdat die brief niet aangeeft tot wanneer deze hechtenis zou duren. Dat de verhuurder van de woning [appellant] wel heeft getraceerd in Duitsland leidt evenmin tot het oordeel dat het dagelijks bestuur wist of had moeten weten dat [appellant] niet op voormeld adres woonde en verder onderzoek naar de verblijfplaats van [appellant] had moeten doen. Het dagelijks bestuur heeft ter zitting bij de rechtbank onweersproken gesteld dat het bij grote woningcorporaties geen navraag doet naar huurders.
Het dagelijks bestuur heeft in het in bezwaar aangevoerde terecht geen aanleiding gezien om [appellant] voorafgaand aan het nemen van het besluit van 29 juni 2011 te horen. Nu binnen de bezwaartermijn gerekend vanaf de dag dat het besluit van 1 februari 2008 aan [appellant] is verzonden geen bezwaren zijn ingediend en [appellant], buiten de hierboven besproken en niet tot verschoonbaarheid leidende redenen, niet heeft gesteld dat en waarom sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het dagelijks bestuur het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft geacht.
Het betoog faalt.
2.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.
w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Montagne
voorzitter    ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2012
374-724.