Uitspraak
200904454/1/R3), heeft de Afdeling het besluit tot vaststelling van dat bestemmingsplan vernietigd, voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor deze percelen. Niet in geschil dat de bouwplannen eveneens in strijd zijn met het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1995". Om medewerking te kunnen verlenen aan de bouwplannen heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) daarvoor vrijstelling verleend.
200903463/1/H1) met betrekking tot dezelfde provinciale vrijstellingenlijst is de vraag of een perceel al dan niet in stedelijk gebied ligt, een vraag van feitelijke aard. De aard van de omgeving is daarbij bepalend. Van belang is waar de bebouwing feitelijk (nagenoeg) ophoudt. Niet in geschil is dat de percelen zijn gelegen aan de rand van Nijverdal en direct aansluiten op bestaande bebouwing. Het college heeft zich, gelet hierop, terecht op het standpunt gesteld dat de percelen zijn gelegen in bestaand stedelijk gebied aan de rand van een kern. Hieruit volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de bouwplannen gevallen als bedoeld in categorie II.A.1 van de provinciale vrijstellingenlijst betreffen, waarvoor, gelet op de ligging van de percelen aan de rand van een kern, verklaringen van geen bezwaar moeten worden aangevraagd. Deze verklaringen zijn door het college van gedeputeerde staten van Overijssel afgegeven op 6 april 2010. Gelet hierop was het college bevoegd voor de bouwplannen vrijstelling te verlenen met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor een ander oordeel.
200708076/1) is voor de beantwoording van de vraag of de ondergrondse bebouwing dient te worden meegerekend bij de toetsing van een bouwplan aan de in de planvoorschriften voorgeschreven maximale inhoudsmaat bepalend of de planwetgever heeft beoogd een onderscheid te maken tussen ondergrondse en bovengrondse bouw. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet is gebleken dat de planwetgever in dit geval heeft beoogd dat onderscheid te maken. De begripsomschrijving van een bouwlaag, waarin onderbouwen en kelders zijn uitgezonderd, biedt geen grond voor een ander oordeel, nu in artikel 17.2.2., aanhef en onder c, sub 1, van de planvoorschriften het begrip bouwlaag niet voorkomt. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat uit het in artikel 2.3 gegeven meetvoorschrift en hetgeen daaromtrent in de nota "aanvulling nota beoordeling zienswijzen" is vermeld niet kan worden afgeleid dat de planwetgever voornoemd onderscheid heeft beoogd. Zij heeft hierbij terecht in aanmerking genomen dat, zoals de Afdeling onder meer in voornoemde uitspraak van 16 juli 2008 heeft overwogen, aan bepalingen in planvoorschriften die geen bouwvoorschriften zijn, doch als meetvoorschriften regels geven omtrent de wijze van toepassing van dergelijke voorschriften en derhalve een onzelfstandig en ondersteunend karakter hebben, niet een zodanige uitleg kan worden gegeven dat zij de (algemene) werking van bouwvoorschriften beperken tot bepaalde gevallen, in het onderhavige geval tot bouwen boven de begane grondvloer. Dit zou er anders toe leiden dat aan de strekking van de bouwvoorschriften zelf afbreuk wordt gedaan. De door het college, [appellant sub 3] en [appellant sub 4] aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2010 (in zaak nr.
201001867/1/H1) leidt niet tot een ander oordeel, aangezien in die zaak in het meetvoorschrift uitdrukkelijk een inhoudelijk, planologisch relevant onderscheid was gemaakt tussen recreatiewoningen en andere gebouwen, dat in artikel 2.3 van de planvoorschriften ontbreekt. Ook de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2007 (in zaak nr.
200606045/1), waarnaar [appellant sub 3] en [appellant sub 4] verwijzen, biedt geen grond voor het oordeel dat de kelders van de voorziene woningen niet dienen te worden meegerekend.