Uitspraak
201104292/1/H2en van 26 augustus 2009 in zaak nr.
200809222/1/H2), dat uit artikel 16, eerste lid, in samenhang met het vierde lid, van de Awir voortvloeit dat aan de verlening van een voorschot niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend, dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II, vergaderjaar 2004-2005, 29 764, nr. 3, blz. 48 en 49) kan immers worden afgeleid dat bedoeld is dat een verleend voorschot kan worden herzien, indien na verlening blijkt dat dit tot een hoger of lager bedrag is toegekend, dan dat waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld. Dat is in dit geval niet anders. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de toekenning van een voorschot niet impliceert dat al een recht op toeslag wordt vastgesteld.
200809222/1/H2) is de Belastingdienst niet bevoegd van terugvordering af te zien, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag. In artikel 26 van Pro de Awir is bepaald dat indien een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd. Voor zover [appellant] vanwege financiële problemen niet in staat zou zijn de verleende voorschotten terug te betalen, heeft de Belastingdienst overigens gewezen op de mogelijkheid van een standaard betalingsregeling of een betalingsregeling op maat.