ECLI:NL:RVS:2012:BY3374
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende voortvarendheid staatssecretaris bij voorbereiding uitzetting vreemdeling
De vreemdeling kreeg op 2 mei 2012 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd, die werd voortgezet nadat hij zijn asielaanvraag op 3 mei 2012 introk. Hoewel de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk voorafgaand aan deze maatregel al akkoord waren gegaan met zijn overdracht, startte de daadwerkelijke voorbereiding van de uitzetting pas op 11 mei 2012 met een vertrekgesprek. De Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) had het dossier toen nog niet ontvangen.
De Raad van State oordeelt dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door pas op de tiende dag van de maatregel te beginnen met de uitzettingsvoorbereiding, terwijl er geen concrete beletselen waren om eerder te handelen. De voorkeur van de vreemdeling voor vrijwillige terugkeer via de Internationale Organisatie voor Migratie doet hier niet aan af.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog toegewezen. De vrijheidsontnemende maatregel was vanaf 4 mei 2012 niet langer gerechtvaardigd. De vreemdeling ontvangt een vergoeding van € 2.000 en proceskosten van € 1.311 worden aan de staatssecretaris opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard wegens onvoldoende voortvarendheid van de staatssecretaris, de vrijheidsontnemende maatregel was vanaf 4 mei 2012 niet langer gerechtvaardigd.