ECLI:NL:RVS:2012:BY3410

Raad van State

Datum uitspraak
12 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201100601/1/V4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8:54 AwbArt. 85 Vreemdelingenwet 2000Art. 91 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering over risico strafrechtelijke vervolging in Georgië

De vreemdelingen hadden asielaanvragen ingediend die door de staatssecretaris van Justitie werden afgewezen. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar de vreemdelingen gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de staatssecretaris terecht heeft geoordeeld dat vreemdeling 1 niet in de negatieve belangstelling van de Georgische autoriteiten staat. De staatssecretaris had immers erkend dat vreemdeling 1 mogelijk strafrechtelijk vervolgd zal worden, maar had onvoldoende gemotiveerd dat de strafrechtelijke procedure in Georgië normaal en eerlijk zou verlopen. Dit standpunt werd ter zitting door de staatssecretaris verlaten.

De Afdeling stelt vast dat de motivering van het besluit onvoldoende is en dat ook de besluiten ten aanzien van de andere vreemdelingen onvoldoende zijn gemotiveerd. Daarom vernietigt de Afdeling de uitspraak van de rechtbank en de besluiten van 9 februari 2010 en verklaart het hoger beroep gegrond. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de besluiten tot afwijzing van de asielaanvragen worden vernietigd wegens onvoldoende motivering.

Uitspraak

201100601/1/V4.
Datum uitspraak: 12 november 2012
Raad van State
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
(-) (hierna: vreemdeling 1), (-) en (-), mede voor haar minderjarige kind, (hierna gezamenlijk: de vreemdelingen)
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 15 december 2010 in zaken nrs. 10/06793, 10/09219 en 10/09230 in de gedingen tussen:
de vreemdelingen
en
de minister voor Immigratie en Asiel.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 9 februari 2010 heeft de staatssecretaris van Justitie aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 15 december 2010 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De minister voor Immigratie en Asiel (thans: staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.
2. Hetgeen door de vreemdelingen als grieven 1, 2 en 4 is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.
3. In de grieven 5, 6 en 7, in onderlinge samenhang gelezen, klagen de vreemdelingen dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris aan hun verklaringen, dat vreemdeling 1 tweemaal door de Georgische veiligheidsdienst KUD (hierna: de KUD) is meegenomen, is mishandeld en is gedwongen een document te ondertekenen waarin hij onder meer verklaart dat hij lid is van een groep die steun geeft aan de Ossetische separatisten en dat hij daarna is gedagvaard, terecht niet de conclusie heeft verbonden dat vreemdeling 1 in de negatieve belangstelling van de Georgische autoriteiten staat en zij derhalve geen grond ziet voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vrees van de vreemdelingen, dat vreemdeling 1 in Georgië ten onrechte zal worden veroordeeld tot een lange gevangenisstraf, niet reëel is.
Voor deze overweging heeft de rechtbank, volgens de vreemdelingen, ten onrechte redengevend geacht dat de KUD vreemdeling 1 steeds na relatief korte tijd heeft vrijgelaten, er geen aanwijzingen zijn dat de vreemdelingen na hun vlucht door de KUD of de Georgische autoriteiten werden gezocht en de politie bij het bezoek aan het huis waar vreemdeling 1 zich schuil hield niet hem zocht, maar zijn vriend, en het voorts geen officieel onderzoek betrof. Verder heeft de rechtbank, volgens de vreemdelingen, ten onrechte van belang geacht dat de door hen overgelegde dagvaarding dateert van na hun vlucht uit Georgië en zij niet hebben aangegeven of dit een tweede dagvaarding is en voor welk misdrijf of welke overtreding vreemdeling 1 zou zijn gedagvaard. De vreemdelingen voeren aan dat de rechtbank aldus ten onrechte eigen argumenten, die niet terug te vinden zijn in de besluiten, aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd. Voorts heeft de rechtbank, volgens de vreemdelingen, niet onderkend dat de staatssecretaris het mogelijk acht dat vreemdeling 1 in Georgië strafrechtelijk zal worden vervolgd en dat, nu de staatssecretaris ter zitting zijn standpunt dat het voor vreemdeling 1 in Georgië mogelijk is zich tijdens een strafrechtelijke procedure deugdelijk in rechte te verweren, of om bij de autoriteiten bescherming te vragen, heeft verlaten de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat voormelde vrees van de vreemdelingen desondanks niet reëel is.
3.1. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 9 februari 2010, in samenhang gelezen met het daarin ingelaste voornemen daartoe, waarbij de aanvraag van vreemdeling 1 om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen (hierna: het besluit), op het standpunt gesteld dat de gebeurtenissen waarover vreemdeling 1 heeft verklaard geloofwaardig zijn, maar dat de daaraan ontleende vrees, dat vreemdeling 1 bij terugkeer naar Georgië zal worden gearresteerd en zal worden veroordeeld tot een lange gevangenisstraf vanwege vermeende betrokkenheid bij een groep die steun geeft aan de Ossetische separatisten, niet reëel is. De staatssecretaris heeft daartoe van belang geacht dat, voor zover thans van belang en samengevat weergegeven, vreemdeling 1 legaal en probleemloos op zijn eigen paspoort Georgië is uitgereisd, hetgeen volgens de staatssecretaris er niet op wijst dat hij in de negatieve belangstelling van de Georgische autoriteiten staat. Verder blijkt dit volgens de staatssecretaris ook niet uit de documenten die vreemdeling 1 heeft overgelegd. Over de kopie van een dagvaarding die vreemdeling 1 heeft overgelegd heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat hij uitgaat van de echtheid ervan, maar dat, nu deze dagvaarding dateert van na het vertrek van vreemdeling 1 uit Georgië en nu vreemdeling 1 geen informatie over de achtergrond van de dagvaarding heeft verstrekt, hieraan niet de waarde kan worden gehecht die de vreemdelingen daaraan gehecht wensen te zien. Voorts heeft de staatssecretaris zich in het besluit op het standpunt gesteld dat hij het mogelijk acht dat vreemdeling 1 in Georgië te maken zal krijgen met een strafrechtelijke procedure, maar dat nu er in Georgië een goed functionerende onafhankelijke rechterlijke macht bestaat, er geen aanleiding is voor de conclusie dat geen sprake zal zijn van een normale strafrechtelijke procedure, waarin vreemdeling 1 naar voren kan brengen onder welke omstandigheden de bekentenis op basis waarvan hij strafrechtelijk wordt vervolgd is verkregen.
Ter zitting bij de rechtbank heeft de staatssecretaris zijn standpunt dat er in Georgië een goed functionerende onafhankelijke rechterlijke macht bestaat laten vallen.
3.2. De vreemdelingen voeren terecht aan dat de staatssecretaris hun verklaringen dat de KUD vreemdeling 1 steeds na relatief korte tijd heeft vrijgelaten en dat de politie bij het bezoek aan het huis waar vreemdeling 1 zich schuil hield niet hem zocht, maar zijn vriend, en het geen officieel onderzoek betrof, niet aan de afwijzing in het besluit ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank heeft door de bestreden overweging hierop te doen steunen derhalve de grondslag van het besluit verlaten.
Voor zover de rechtbank de bestreden overweging heeft doen steunen op argumenten die de staatssecretaris wel aan de afwijzing in het besluit ten grondslag heeft gelegd, heeft zij niet onderkend dat de staatssecretaris uit de omstandigheid dat vreemdeling 1 met zijn eigen paspoort Georgië is uitgereisd ten onrechte heeft afgeleid dat hij niet in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat, nu de staatssecretaris immers niet uitsluit dat de vreemdelingen steekpenningen hebben betaald bij het passeren van de paspoortcontrole. Dat volgens de staatssecretaris ook niet uit de door de vreemdeling overgelegde stukken blijkt dat vreemdeling 1 in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat en de vreemdelingen volgens de staatssecretaris geen achtergrondinformatie over de door hen overgelegde dagvaarding hebben verstrekt, laat verder onverlet dat de staatssecretaris zich in het besluit op het standpunt heeft gesteld dat hij het mogelijk acht dat vreemdeling 1 in Georgië te maken zal krijgen met een strafrechtelijke procedure, terwijl hij zijn standpunt dat er in Georgië een goed functionerende rechterlijke macht bestaat ter zitting bij de rechtbank heeft verlaten. Het standpunt van de staatssecretaris in het besluit dat er geen aanleiding bestaat voor de conclusie dat geen sprake zal zijn van een normale strafrechtelijke procedure, kan gelet hierop zonder nadere motivering niet worden gevolgd. De vreemdelingen voeren derhalve terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris in het besluit, nu hij zich niet langer op het standpunt stelt dat vreemdeling 1 zich in Georgië deugdelijk in rechte kan verweren, met het overige niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vrees van de vreemdelingen, dat vreemdeling 1 in Georgië zal worden veroordeeld tot een lange gevangenisstraf, niet reëel is.
3.3. Nu de staatssecretaris in de besluiten van 9 februari 2010, waarbij de aanvragen van de andere vreemdelingen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zijn afgewezen, ter motivering van die afwijzingen heeft verwezen naar de motivering in voormeld op vreemdeling 1 betrekking hebbend besluit, heeft de staatssecretaris ook die besluiten onvoldoende gemotiveerd.
3.4. De grieven slagen.
4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen de vreemdelingen als grief 3 hebben aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gezien het vorenoverwogene, de beroepen van de vreemdelingen tegen de onderscheiden besluiten van 9 februari 2010 alsnog gegrond verklaren. Deze besluiten dienen wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb te worden vernietigd. De staatssecretaris dient nieuwe besluiten op de aanvragen van de vreemdelingen te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 15 december 2010 in zaken nrs. 10/06793, 10/09219, 10/09230;
III. verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen gegrond;
IV. vernietigt de besluiten van de staatssecretaris van Justitie van 9 februari 2010, kenmerk 0903.03.1108;
V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter w.g. Van Loo
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2012
418-603.
Verzonden: 12 november 2012
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser