Uitspraak
201104750/1/A2, overwogen dat het betoog van [appellante] dat het college ten onrechte niet heeft bezien in hoeverre de geleden schade binnen het normale maatschappelijke risico valt, eveneens slaagt. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 8 maart 2011 niet is voorzien van een deugdelijke motivering en heeft dat besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
201113115/1/T1/A2heeft het eerste lid van artikel 6.2 van de Wro zelfstandige betekenis. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van dat artikel (Kamerstukken II 2002-2203, 28 916, nr. 3, blz. 63) valt af te leiden dat alleen die schade wordt vergoed welke uitkomt boven de financiële nadelen die behoren tot het maatschappelijke risico dat elke burger behoort te dragen en dat het normale maatschappelijke risico, dat met zoveel woorden in de wet is vastgelegd, moet worden betrokken bij het bepalen van de hoogte van de schade. Dat in dit geval artikel 6.2, tweede lid, van de Wro, waarin de forfaitaire drempel van 2% is opgenomen, niet van toepassing is, staat er niet aan in de weg dat bij de beoordeling of de schade binnen het normale maatschappelijke risico valt een forfaitaire drempel of een kortingspercentage kan worden toegepast. De SAOZ is in haar nader advies van 1 mei 2012 dan ook ten onrechte ervan uitgegaan dat nu de schade in dit geval groter is dan 2%, de gehele schade voor een tegemoetkoming in aanmerking komt. Gelet hierop heeft het college het nader advies van de SAOZ niet aan het besluit van 4 juni 2012 ten grondslag mogen leggen.
201113115/1/T1/A2) moet de vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro tot het normale maatschappelijke risico behoort, worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden in die zin dat de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gevoerde planologische beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de aanvrager en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel. Gelet hierop zal het college dienen te motiveren of en zo ja, in hoeverre de door [belanghebbende] geleden schade tot het normale maatschappelijke risico behoort.