ECLI:NL:RVS:2012:BY4035
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag voortgezet verblijf wegens ontbreken geldig reisdocument
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die een aanvraag van een vreemdeling om voortgezet verblijf na afloop van de B9-regeling had toegewezen. De vreemdeling had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met een beperking en verzocht om wijziging van deze beperking in verband met bijzondere individuele omstandigheden, waaronder psychische problemen en risico's in het land van herkomst China.
De rechtbank had geoordeeld dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de psychische gesteldheid van de vreemdeling niet als bijzondere individuele omstandigheid kon worden meegewogen. De minister stelde echter dat de vreemdeling niet had aangetoond dat zij niet in het bezit kon worden gesteld van een geldig reisdocument, zoals vereist volgens de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000.
De Raad van State oordeelt dat de minister terecht heeft vastgesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in het bezit kan worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding. De vreemdeling had onvoldoende bewijs geleverd, ondanks haar stellingen en pogingen bij de Chinese ambassade. Het beroep op psychische omstandigheden kan slechts als onderdeel van een belangenafweging worden meegewogen, maar het ontbreken van een geldig reisdocument is een zelfstandige afwijzingsgrond.
Daarom wordt het hoger beroep van de minister gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De aanvraag om voortgezet verblijf wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geldig reisdocument.