Uitspraak
201006426/1/R2kan uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel van de Chw (Kamerstukken II 2009/10, 32 127, nr. 3, blz. 49) worden afgeleid, dat de wetgever met dit artikel de eis heeft willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en de daadwerkelijke (of: achterliggende) reden om een besluit in rechte aan te vechten en dat de bestuursrechter een besluit niet moet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die niet strekt tot bescherming van een belang waarin de eisende partij feitelijk dreigt te worden geschaad.
200809116/1/R1) bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat een eventuele toekomstige ontwikkeling reeds had moeten worden betrokken bij de vaststelling van het plan. De raad heeft dan ook ten tijde van het nemen van het besluit van 6 oktober 2011 geen rekening hoeven houden met de gevolgen van de eventuele toekomstige wegverbreding en terecht de mogelijke gevolgen daarvan niet betrokken bij het opstellen van het plan. Het betoog faalt.
200603233/1is een motie alsmede de vraag of een motie naar behoren is uitgevoerd alleen van betekenis in de verhouding tussen de raad en het college van burgemeester en wethouders. Een motie leidt niet tot een juridische verplichting die de raad bij de vaststelling van het plan in acht dient te nemen. De raad hoefde gelet hierop in het bestaan van de motie geen aanleiding te zien het plan niet of gewijzigd vast te stellen. Het betoog faalt.