Uitspraak
201001850/1/H1), behelst artikel 8:64 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) een bevoegdheid van de rechtbank, bij de aanwending waarvan haar een grote mate van beoordelingsvrijheid toekomt.
201113190/1/A1), betreft het beslissen op een verzoek om ontheffing krachtens artikel 3.23, eerste lid, van de Wro een discretionaire bevoegdheid van het desbetreffende college, waarvan de rechter de uitoefening terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen dat hij zich wat betreft de belangenafweging moet beperken tot de vraag of het in redelijkheid tot zijn besluit op het verzoek heeft kunnen komen.
201107714/1/A1), mogen burgemeester en wethouders, hoewel zij niet aan een welstandsadvies zijn gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hen berust, aan het welstandsadvies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat zij dit niet, of niet zonder meer, aan hun oordeel omtrent de welstand ten grondslag hebben mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders, indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een bericht overlegt van een andere deskundige, dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.