ECLI:NL:RVS:2012:BY4737

Raad van State

Datum uitspraak
13 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201107217/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • H.G. Sevenster
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.30 Vb 2000Art. 13 Vw 2000Art. 14 Vw 2000Art. 7:3 AwbArt. 41 Aanvullend Protocol
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige wegens ontbreken wezenlijk Nederlands belang

De minister voor Immigratie en Asiel wees op 1 november 2010 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning als zelfstandige af wegens het ontbreken van een wezenlijk Nederlands belang. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 17 januari 2011 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de minister hoger beroep instelde.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte stelde dat de minister nader moest motiveren welke stukken noodzakelijk zijn om het wezenlijk Nederlands belang te beoordelen. Het is aan de vreemdeling om dit te onderbouwen met een volledig en goed onderbouwd ondernemingsplan. De vreemdeling had onvoldoende concrete en onderbouwde stukken overgelegd, waaronder intentieverklaringen die niet overtuigend waren.

De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens faalden de overige beroepsgronden, waaronder het betoog over het niet voorleggen van de aanvraag aan de minister van Economische Zaken en het ontbreken van een hoorplicht in bezwaar. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.

Uitspraak

201107217/1/V1.
Datum uitspraak: 13 november 2012
Raad van State
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister),
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 25 mei 2011 in zaak nr. 11/5047 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 1 november 2010 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 17 januari 2011 heeft de minister, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij mondelinge uitspraak van 25 mei 2011 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 augustus 2012, waar de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en de vreemdeling, vertegenwoordigd door
mr. B. Aydin, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.
2. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij nader dient te motiveren welke stukken noodzakelijk zijn om te beoordelen of is voldaan aan het vereiste van een wezenlijk Nederlands belang bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), en waarom met de door de vreemdeling beoogde arbeid als zelfstandige niet aan dat vereiste is voldaan. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank niet onderkend dat het op de weg van de vreemdeling ligt om met stukken te onderbouwen dat met de door hem beoogde arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang is gediend, en dat de vreemdeling daarin niet is geslaagd, nu hij zijn ondernemingsplan niet heeft onderbouwd met aanvullende stukken terwijl hij daartoe in de gelegenheid is gesteld.
2.1. Ingevolge artikel 13 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de
Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd, indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen of met de aanwezigheid van een vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend.
Ingevolge artikel 14, tweede lid, wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan.
Ingevolge artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het
Vb 2000 kan de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van Pro de Vw 2000, onder een beperking, verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige, worden verleend aan een vreemdeling, die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van de staatssecretaris een wezenlijk Nederlands belang is gediend.
Volgens paragraaf B5/7.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals die luidde ten tijde van belang, dient een vreemdeling, voor een door de minister van Economische Zaken (hierna: de minister van EZ) met gebruikmaking van het puntensysteem uit te brengen advies, ter beoordeling van zijn aanvraag ten minste een volledig ondernemingsplan over te leggen dat dient te zijn onderbouwd met de in die paragraaf vermelde stukken. Indien geen of een niet voldoende onderbouwd ondernemingsplan wordt overgelegd, biedt de staatssecretaris een termijn van twee weken om dit verzuim te herstellen. Indien een vreemdeling, ook na deze termijn, geen of een niet voldoende onderbouwd ondernemingsplan heeft overgelegd wijst de staatssecretaris de aanvraag, zonder voorlegging aan de minister van EZ voor advies, af wegens het ontbreken van een wezenlijk Nederlands economisch belang.
Volgens paragraaf B5/7.3.3 moet het ondernemingsplan in ieder geval blijk geven van informatie over de onderwerpen vermeld in die paragraaf, te weten 'Persoonlijke gegevens', 'Bedrijfsgegevens', 'Juridische zaken', 'Commercieel plan', 'Management plan' en 'Financieel plan'.
2.2. In het gehandhaafde besluit van 1 november 2010 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat het aan de vreemdeling is om te onderbouwen dat hij daadwerkelijk voornemens is om arbeid als zelfstandige te gaan verrichten. Ter zitting heeft de staatssecretaris voorts toegelicht dat aan het vereiste dat met die arbeid een wezenlijk Nederlands belang is gediend niet wordt voldaan indien de onderneming van de vreemdeling niet economisch levensvatbaar is en daarom niet kan worden voortgezet. De in deze toelichting uiteengezette vaste gedragslijn gaat de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten.
2.3. Vaststaat dat de vreemdeling bij brief van 28 december 2010 in de gelegenheid is gesteld om alsnog een volledig onderbouwd ondernemingsplan over te leggen met de in die brief vermelde stukken, waaronder intentieverklaringen. Daarop zijn door de vreemdeling intentieverklaringen van 24 september 2010 en 28 oktober 2010 overgelegd. In beide verklaringen is slechts vermeld dat besloten is in de toekomst te gaan samenwerken bij daarvoor in aanmerking komende projecten. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 17 januari 2011 in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan die intentieverklaringen geen gewicht toekomt nu die onvoldoende concreet, niet onderbouwd en gelijkluidend zijn. De staatssecretaris heeft zich in dat besluit voorts op het standpunt gesteld dat het overgelegde ondernemingsplan summier is en in het geheel niet onderbouwd met aanvullende stukken. Voorts zijn de daarin opgenomen financiële gegevens niet opgesteld of goedgekeurd door een onafhankelijke deskundige. Ter zitting heeft de staatssecretaris toegelicht dat het ondernemingsplan zonder enige onderbouwing uitgaat van een achtergesteld vermogen in de vorm van leningen van € 326.000,00 en dat alle overige daarin voorkomende cijfers eveneens onderbouwing missen. De vreemdeling heeft ter zitting erkend dat het ondernemingsplan gebrekkig is. Gelet hierop heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het ondernemingsplan niet voldoende is onderbouwd en heeft hij genoegzaam gemotiveerd waarom de vreemdeling met de door hem overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat met de door hem beoogde arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang is gediend.
De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 17 januari 2011 worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.
4. De vreemdeling heeft aangevoerd dat het besluit van 17 januari 2011 in strijd is met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (hierna: het Aanvullend Protocol), omdat de staatssecretaris zijn aanvraag niet voor advies heeft voorgelegd aan de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie terwijl de staatssecretaris op 1 januari 1973 alle aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel 'arbeid als zelfstandige' voor advies voorgelegde aan de minister van EZ.
De vreemdeling heeft dit betoog niet nader onderbouwd. De enkele stelling van de vreemdeling biedt geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris artikel 9 van Pro de Associatieovereenkomst gelezen in samenhang met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol, heeft geschonden.
De beroepsgrond faalt.
5. De vreemdeling heeft voorts aangevoerd dat de staatssecretaris niet van het horen in bezwaar heeft mogen afzien, omdat het bezwaarschrift niet kennelijk ongegrond was.
5.1. Van het horen in de bezwaarschriftenprocedure mag een bestuursorgaan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht afzien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het besluit van 1 november 2010 en hetgeen de vreemdeling daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, is aan deze maatstaf voldaan, zodat de beroepsgrond faalt.
6. Het inleidende beroep van de vreemdeling is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 25 mei 2011 in zaak
nr. 11/5047;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter w.g. Willems
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2012
412-701.
Verzonden: 13 november 2012
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser