ECLI:NL:RVS:2012:BY5558
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gegrondheid hoger beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring minderjarige asielzoeker
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die de maatregel van vreemdelingenbewaring van een minderjarige vreemdeling heeft opgeheven en schadevergoeding heeft toegekend.
De vreemdeling had de opvang verlaten zonder de Nederlandse autoriteiten te informeren en was naar Duitsland vertrokken om daar een asielaanvraag in te dienen. De staatssecretaris stelde dat dit een onttrekking aan toezicht inhoudt, wat de bewaring rechtvaardigt. De rechtbank had dit betwist, maar de Raad van State oordeelde dat het vertrek naar Duitsland zonder mededeling inderdaad een onttrekking aan toezicht vormt.
Verder werd overwogen dat de maatregel van bewaring gerechtvaardigd is vanwege het gebruik van aliassen, het ontbreken van identiteitspapieren, een vaste woon- of verblijfplaats en middelen van bestaan. Wel werd geoordeeld dat het verblijf van de minderjarige in het Aanmeldcentrum Schiphol langer dan vier dagen duurde zonder leeftijdsspecifieke voorzieningen, wat niet in overeenstemming is met de vereiste terughoudendheid.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de bewaring gerechtvaardigd was, behalve dat de tenuitvoerlegging in AC Schiphol te lang duurde. De Staat werd veroordeeld tot een schadeloosstelling van €125,00. Voor het overige werd het beroep ongegrond verklaard en een verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, bewaring grotendeels bevestigd, en een schadeloosstelling van €125 toegekend wegens te lang verblijf in het Aanmeldcentrum Schiphol.