ECLI:NL:RVS:2013:1009

Raad van State

Datum uitspraak
4 september 2013
Publicatiedatum
4 september 2013
Zaaknummer
201211412/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.6 WkoArt. 30a Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenArt. 65g Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringArt. 7:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing kinderopvangtoeslag bij ontbreken re-integratietraject

Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Belastingdienst om het voorschot kinderopvangtoeslag over 2011 op nihil te stellen, omdat hij een WAO-uitkering ontving zonder dat sprake was van een re-integratietraject. De rechtbank had het bezwaar gegrond verklaard maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel recht had op toeslag vanwege een dienstbetrekking, onderbouwd met een salarisafschrift van zijn partner.

De Raad van State oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij een re-integratietraject volgde, zoals vereist op grond van artikel 1.6 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Het beroep faalde daarom. Tevens werd het verzoek tot vergoeding van proceskosten afgewezen omdat het besluit niet onrechtmatig was herroepen.

De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De zaak betrof de toepassing van de wettelijke criteria voor kinderopvangtoeslag bij arbeidsongeschiktheidsuitkeringen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om het voorschot kinderopvangtoeslag op nihil te stellen wordt bevestigd.

Uitspraak

201211412/1/A2.
Datum uitspraak: 4 september 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Deventer,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 2 november 2012 in zaak nr. 12/1174 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Belastingdienst/Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 27 april 2012 heeft de Belastingdienst het voorschot kinderopvangtoeslag over 2011 van [appellant] gewijzigd en op nihil gesteld.
Bij besluit van 10 mei 2012 heeft de Belastingdienst het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 november 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 mei 2012 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 augustus 2013, waar de Belastingdienst, vertegenwoordigd door drs. E.J.E. Groothuis, werkzaam bij de Belastingdienst, is verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 1.6, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Wko), voor zover hier van belang, heeft een ouder voor een berekeningsjaar aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de ouder in dat jaar recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering:
1˚. ten behoeve van wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV) werkzaamheden, gericht op de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces als bedoeld in artikel 30a, achtste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen laat verrichten,
2˚. (…), of
3˚. werkzaamheden op een proefplaats verricht als bedoeld in artikel 65g van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
2. Aan het besluit van 27 april 2012, zoals gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 10 mei 2012, heeft de Belastingdienst ten grondslag gelegd dat [appellant] niet aan de criteria van artikel 1.6 van de Wko voldoet, omdat hij een WAO-uitkering heeft via het UWV zonder dat er sprake is van een re-integratietraject.
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen recht op kinderopvangtoeslag heeft. Volgens [appellant] was sprake van een dienstbetrekking. Hiertoe heeft hij in hoger beroep een salarisafschrift van zijn partner overgelegd. De rechtbank had de rechtsgevolgen van het besluit van 10 mei 2012 dan ook niet in stand mogen laten, aldus [appellant].
3.1. Het betoog faalt. Vaststaat dat [appellant] in 2011 een WAO-uitkering ontving. Ingevolge het bepaalde in artikel 1.6, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wko heeft een ouder in dat geval slechts aanspraak op kinderopvangtoeslag, indien hij tevens een re-integratietraject volgde. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dit deed. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat [appellant] geen aanspraak op een kinderopvangtoeslag had en dat de Belastingdienst het voorschot over het jaar 2011 terecht op nihil heeft gesteld.
4. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat de rechtbank heeft verzuimd de Belastingdienst te veroordelen om de proceskosten in de bezwaarfase aan hem te vergoeden, faalt dit betoog. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bestaat recht op vergoeding van de kosten die een belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar enkel indien het besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Deze situatie doet zich hier niet voor.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.
w.g. Borman w.g. Dallinga
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013
18-756.