ECLI:NL:RVS:2013:1068
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan en begeleiding minderjarige in Nederland
De minister van Justitie wees aanvragen af voor documenten die rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan bewijzen voor een Turkse ouder (vreemdeling 1) en diens minderjarige Duitse kind (vreemdeling 2). De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen gegrond en vernietigde de besluiten, waarbij het besluit over vreemdeling 1 grotendeels in stand bleef.
De vreemdelingen stelden dat vreemdeling 1 als verzorgende ouder noodzakelijk is voor het verblijf van vreemdeling 2 in Nederland, wat de rechtbank onvoldoende had erkend. De Raad van State oordeelde dat dit belang wel degelijk relevant is op grond van Europese jurisprudentie (Zhu en Chen) en dat de rechtbank dit had moeten meenemen.
De staatssecretaris voerde aan dat de bestaansmiddelen van vreemdeling 1 uit schenkingen fragiel zijn en niet als toereikend mogen gelden, maar de Raad van State volgde de rechtbank dat deze middelen als bestaansmiddelen moeten worden aangemerkt. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd ongegrond verklaard.
De Raad van State vernietigde het deel van het vonnis dat de rechtsgevolgen van het besluit over vreemdeling 1 in stand liet en bevestigde het overige. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdelingen wordt gegrond verklaard en het besluit over vreemdeling 1 wordt vernietigd, het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard.