ECLI:NL:RVS:2013:1072
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
Bij besluit van 10 maart 2011 heeft de minister van Buitenlandse Zaken de aanvragen van twee vreemdelingen voor een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Hiertegen maakten de vreemdelingen en een referente bezwaar, dat op 1 november 2011 door de minister ongegrond werd verklaard. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdelingen en de referente gegrond en vernietigde het besluit.
De minister, inmiddels staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep kennelijk ongegrond was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hogerberoepschrift bevatte geen nieuwe vragen die van belang waren voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming.
De Raad van State veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen en de referente, bestaande uit kosten van rechtsbijstand, en legde een griffierecht op. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 3 september 2013 door de enkelvoudige kamer onder voorzitterschap van C.J. Borman.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond.