ECLI:NL:RVS:2013:11
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De minister voor Immigratie en Asiel wees op 12 december 2011 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de voorzieningenrechter ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris onzorgvuldig had gehandeld door niet nader onderzoek te doen naar de medische klachten van de vreemdeling. De medische stukken boden onvoldoende grond om aan te nemen dat de klachten het gevolg waren van beschietingen. Verder faalden de bezwaren van de vreemdeling over de betrokkenheid van slechts één medewerker bij de besluitvorming en over de vermeende positieve overtuigingskracht van zijn asielrelaas.
De Afdeling stelde vast dat de staatssecretaris de situatie in het district Chemtal in de provincie Balkh bij zijn beoordeling had betrokken en dat de overige beroepsgronden niet ontvankelijk waren of faalden. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van zijn verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.