ECLI:NL:RVS:2013:1129
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vreemdelingenbewaring ondanks interim measures EHRM over uitzetting Somalië
Bij besluit van 5 juli 2013 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdeling voerde aan dat uit meerdere interim measures van de president van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat zicht op uitzetting naar Somalië binnen een redelijke termijn ontbreekt. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet op deze beroepsgrond was ingegaan, maar dat dit niet leidt tot vernietiging van de uitspraak.
De staatssecretaris lichtte toe dat uitzetting naar Somalië mogelijk is, met een maximum van twee Somalische vreemdelingen per maand, en dat er inspanningen worden verricht om het aantal uitzettingen te vergroten. Hoewel slechts twee uitzettingen daadwerkelijk plaatsvonden en deze werden geweigerd aan de grens, is er geen feitelijke belemmering voor uitzetting binnen een redelijke termijn.
De Afdeling concludeerde dat de interim measures van het EHRM niet motiveren waarom uitzetting onmogelijk zou zijn en dat de veiligheidssituatie in Mogadishu is verbeterd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vreemdelingenbewaring bevestigd.