ECLI:NL:RVS:2013:1138

Raad van State

Datum uitspraak
4 september 2013
Publicatiedatum
11 september 2013
Zaaknummer
201307448/1/A3 en 201307448/2/A3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • B. Nell
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 12 Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeerReglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag gehandicaptenparkeerplaats wegens onvoldoende noodzaak

Het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer wees op 5 september 2012 de aanvraag van appellante voor een gehandicaptenparkeerplaats af. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep ongegrond verklaarde, stelde appellante hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.

De Raad van State overwoog dat het parkeerbeleid van het college inhoudt dat een gehandicaptenparkeerplaats wordt toegekend bij een maximale loopafstand van minder dan 50 meter, en bij een loopafstand tussen 50 en 200 meter alleen indien parkeeronderzoek een hoge parkeerdruk aantoont. De loopafstand van appellante werd vastgesteld op minimaal 150 meter door een keuringsarts.

Appellante voerde aan dat het medisch en parkeeronderzoek onzorgvuldig was, omdat haar aandoening haar op sommige dagen volledig beperkt en het parkeeronderzoek niet in avonduren en weekend was uitgevoerd. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht aannam dat het college van de juiste loopafstand was uitgegaan en dat het parkeeronderzoek ook zaterdag en doordeweekse avonden omvatte. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

201307448/1/A3 en 201307448/2/A3.
Datum uitspraak: 4 september 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) en (met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Zoetermeer,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 juli 2013 in zaak nr. 13/3298 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer.
Procesverloop
Bij besluit van 5 september 2012 heeft het college een aanvraag van [appellante] om toekenning van een gehandicaptenparkeerplaats afgewezen.
Bij besluit van 21 maart 2013 heeft het het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 31 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Voorts heeft zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door haar [moeder] is verschenen.
Overwegingen
1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2. Ingevolge artikel 12, aanhef en onder a, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer moet de plaatsing van het bord E6, als bedoeld in bijlage 1, behorende bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, krachtens een verkeersbesluit geschieden.
Bord E6 ziet op de omschrijving van een gehandicaptenparkeerplaats.
Bij de uitoefening van zijn bevoegdheid om verkeersbesluiten te nemen, betrekking hebbend op gehandicaptenparkeerplaatsen op kenteken, voert het college beleid dat ertoe strekt dat verzoeken van bestuurders met een maximale loopafstand van minder dan 50 m worden ingewilligd. Bestuurders met een maximale loopafstand van 50 - 200 m komen slechts in aanmerking voor toekenning van een gehandicaptenparkeerplaats, indien uit parkeeronderzoek blijkt dat dit noodzakelijk is. Alleen als de parkeerdruk hoog is, zal het verzoek worden toegewezen. Bij een loopafstand van meer dan 200 m worden volgens het gevoerde beleid geen gereserveerde parkeerplaatsen uitgegeven.
3. [appellante] heeft om toekenning van een gehandicaptenparkeerplaats verzocht in verband met haar fysieke beperkingen wegens een erfelijke aandoening.
4. Aan het besluit van 21 maart 2013 heeft het college ten grondslag gelegd dat de noodzaak van een gehandicaptenparkeerplaats voor haar niet is komen vast te staan. Daartoe heeft het in aanmerking genomen dat de loopafstand van [appellante] door de keuringsarts is vastgesteld op minimaal 150 m en parkeren binnen de opgegeven loopafstand geen probleem is.
5. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het medisch onderzoek en het parkeeronderzoek onzorgvuldig zijn geweest. Zij is door haar aandoening bepaalde dagen niet in staat om zelfs maar een paar stappen te zetten. Voorts is de parkeervoorziening binnen de opgegeven loopafstand alleen op werkdagen onderzocht en niet in de avonduren en het weekend.
6. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellante] met het in beroep aangevoerde niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college van een onjuiste maximale actieradius is uitgegaan en ten onrechte heeft aangenomen dat binnen een straal van 150 m van haar woning niet voldoende parkeerruimte voorhanden is. De overgelegde brief van een kinderuroloog van 6 juni 2012 heeft de rechtbank terecht onvoldoende geacht om te oordelen dat het college niet van de juistheid van de medische rapportage van 20 augustus 2012 en de daarbij door de keuringsarts vastgestelde loopafstand van 150 m mocht uitgaan. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat bij de beoordeling van de maximale actieradius mede is afgegaan op informatie van [appellante] en haar moeder. Voorts is de parkeerdruk op zaterdag en doordeweekse avonden in het parkeeronderzoek betrokken.
Het betoog faalt.
7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
8. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek van [appellante] om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek van [appellante] af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B. Nell, ambtenaar van staat.
w.g. Loeb w.g. Nell
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013
597.