ECLI:NL:RVS:2013:1167

Raad van State

Datum uitspraak
18 september 2013
Publicatiedatum
18 september 2013
Zaaknummer
201107526/1/A4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19d Natuurbeschermingswet 1998
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit vergunning veehouderij vanwege onvoldoende motivering stikstofdepositie

Het college van gedeputeerde staten van Overijssel verleende op 13 december 2010 een vergunning op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 voor het oprichten van een veehouderij aan een locatie te Overijssel. Na bezwaar werd dit besluit op 27 juni 2011 gehandhaafd, waarna appellanten beroep instelden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling stelde in een tussenuitspraak van 22 mei 2013 vast dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom de vergunning kon worden verleend, mede vanwege mogelijke negatieve gevolgen voor het Natura 2000-gebied Boetelerveld. Het college kreeg opdracht dit gebrek te herstellen, wat zij bij brief van 25 juni 2013 deed door te stellen dat door intrekking van milieuvergunningen voor andere veehouderijen de stikstofdepositie per saldo daalt.

Appellanten betoogden dat de intrekking van een milieuvergunning niet meegewogen mocht worden, maar de Afdeling oordeelde dat gezien de directe samenhang tussen intrekking en vergunningverlening het college deze intrekking terecht had betrokken. Gezien het herstel van het gebrek werd het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot vergunningverlening wordt vernietigd, met in stand blijvende rechtsgevolgen.

Uitspraak

201107526/1/A4.
Datum uitspraak: 18 september 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante A] en [appellant B], gevestigd onderscheidenlijk wonend te [woonplaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante A]),
appellanten,
en
het college van gedeputeerde staten van Overijssel,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 13 december 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) verleend voor het oprichten van een veehouderij aan de [locatie 1] te [plaats].
Bij besluit van 27 juni 2011 heeft het college het door [appellante A] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante A] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het college en [vergunninghoudster] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak gevoegd met de zaken nrs. 201203714/1 ter zitting behandeld op 11 februari 2013, waar [appellante A], vertegenwoordigd door mr. M.J. Smaling, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Orie, K.H. Messelink Msc, H.G. Bos, R. van Leeuwen en A.M. Rensen, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Wingens, advocaat te Nijmegen, en ing. D.M. Ruessink, gehoord. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.
Bij tussenuitspraak van 22 mei 2013 in zaak nr. 201107526/1/T1/A4 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zes weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 27 juni 2011 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.
Bij brief van 25 juni 2013 heeft het college gevolg gegeven aan deze opdracht.
[appellante A] heeft een zienswijze naar voren gebracht.
De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het college niet toereikend heeft gemotiveerd waarom de Nbw-vergunning kon worden verleend, gezien de mogelijke gevolgen voor het Natura 2000-gebied Boetelerveld. De Afdeling heeft het college vervolgens primair opgedragen om te beoordelen of het betoog van [vergunninghoudster] dat de stikstofdepositie op het gebied Boetelerveld daalt wanneer niet alleen rekening wordt gehouden met de intrekking van de milieuvergunning voor de veehouderij aan de [locatie 2] te [plaats], maar ook met de intrekking van een milieuvergunning voor een veehouderij aan de [locatie 3] te [plaats], grond is om de verleende Nbw-vergunning in stand te laten.
2. Het college stelt zich in zijn brief van 25 juni 2013 op het standpunt dat gezien de beide met de vergunningverlening samenhangende intrekkingen van de milieuvergunningen, de stikstofdepositie op het gebied Boetelerveld per saldo daalt. Volgens het college staat hiermee vast dat de vergunningverlening geen negatieve effecten heeft voor het gebied, zodat de bij het bestreden besluit verleende vergunning in stand kan blijven.
3. [appellante A] betoogt dat de intrekking van de milieuvergunning voor de veehouderij aan de [locatie 3] te [plaats] niet bij de beoordeling van de gevolgen van de vergunningverlening mag worden betrokken. Daartoe voert hij aan dat de gemeente Raalte geruime tijd voor de intrekking eigenaar van die veehouderij is geworden. Verder kan volgens [appellante A] niet worden uitgesloten dat het op het moment van de intrekking feitelijk gehouden veebestand groter was dan waarvoor vergunning was verleend en dat de intrekking ook is betrokken bij het verlenen van Nbw-vergunningen aan andere veehouderijen.
4. Bij besluit van 15 december 2009 is de milieuvergunning voor de veehouderij aan de [locatie 3] te [plaats] ingetrokken. In dit besluit is vermeld dat de intrekking plaatsvindt ten behoeve van de oprichting van de veehouderij waarvoor bij het bestreden besluit een Nbw-vergunning is verleend. Gelet hierop moet ervan worden uitgegaan dat een directe samenhang bestaat tussen de intrekking van de milieuvergunning en de verlening van de Nbw-vergunning. Het college mocht daarom de intrekking van de milieuvergunning voor de veehouderij aan de [locatie 3] te Raalte bij de vergunningverlening betrekken. Dit wordt niet anders indien de eigendom van de veehouderij bij de gemeente Raalte berust. Ook het feit dat, zoals [appellante A] betoogt, de intrekking deels mede zou zijn betrokken bij de verlening van een Nbw-vergunning aan andere veehouderijen betekent op zichzelf niet dat de intrekking niet mede zou kunnen worden betrokken bij de huidige vergunningverlening (vergelijk de uitspraak van 22 mei 2013 in zaak nr. 201010326/1/A4, overweging 5).
5. Hetgeen [appellante A] heeft aangevoerd, biedt gezien het voorgaande geen grond voor het oordeel dat het college met zijn brief van 25 juni 2013 het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld.
6. Het beroep is gezien de tussenuitspraak gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Omdat het geconstateerde gebrek is hersteld, zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 27 juni 2011, kenmerk 2011/0061278 en A11-009;
III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;
IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij [appellante A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.180,00 (zegge: elfhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;
V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Overijssel aan [appellante A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.
w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2013
262-732.