ECLI:NL:RVS:2013:1170

Raad van State

Datum uitspraak
18 september 2013
Publicatiedatum
18 september 2013
Zaaknummer
201300689/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.H. van Kreveld
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 WjsgArt. 2 WjsgArt. 22 WjsgArt. 2 BjsgArt. 6 Bjsg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek tot verwijdering justitiële gegevens uit JDS

De appellant verzocht de minister om verwijdering of verbetering van justitiële gegevens die op hem betrekking hebben in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS). De minister wees dit verzoek af, waarna ook het bezwaar en het beroep bij de rechtbank ongegrond werden verklaard. De appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State.

De kern van het geschil betreft de registratie van een transactie door het Openbaar Ministerie in verband met een overtreding van de Opiumwet, waarbij softdrugs in beslag werden genomen. De appellant stelde dat de registratie onjuist en niet ter zake dienend was, mede omdat hij meent dat de verdenking van handel in cocaïne onterecht was en dat hij niet op de hoogte was van de registratie.

De Raad van State oordeelt dat de registratie feitelijk juist is en overeenkomt met de onherroepelijke beslissing van het Openbaar Ministerie. De transactie is een beslissing die als justitiële gegevens wordt verwerkt in het JDS. De argumenten van de appellant over de procedure en zijn onbekendheid met de registratie vallen niet onder de wettelijke gronden voor verwijdering of verbetering. Bovendien betreft de registratie softdrugs en niet cocaïne.

De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot verwijdering van justitiële gegevens bevestigd.

Uitspraak

201300689/1/A3.
Datum uitspraak: 18 september 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 5 december 2012 in zaak nr. 12/2540 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 20 januari 2012 heeft de minister een verzoek van [appellant] om verwijdering van op hem betrekking hebbende justitiële gegevens uit het Justitieel Documentatie Systeem (hierna: JDS), of verbetering daarvan, afgewezen.
Bij besluit van 19 april 2012 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 december 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 augustus 2013, waar [appellant] is verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen onder justitiële gegevens verstaan: bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven persoonsgegevens of gegevens over een rechtspersoon inzake de toepassing van het strafrecht of de strafvordering.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, verwerkt de minister in de justitiële documentatie justitiële gegevens ten behoeve van een goede strafrechtspleging. Ingevolge het tweede lid worden bij algemene maatregel van bestuur de gegevens aangewezen die als justitiële gegevens worden aangemerkt.
Ingevolge artikel 22, eerste lid, kan een ieder over wiens persoon justitiële gegevens worden verwerkt, de verantwoordelijke schriftelijk verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen indien deze feitelijk onjuist, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn, dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt.
Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.
Ingevolge artikel 2 van Pro het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Bjsg) worden met betrekking tot misdrijven als justitiële gegevens aangemerkt de in de artikelen 6 en 7 vermelde gegevens van zaken waarvan het proces-verbaal door het Openbaar Ministerie of de procureur-generaal bij de Hoge Raad op grond van artikel 76 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie in behandeling is genomen.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder a, worden als justitiële gegevens als bedoeld in de artikelen 2, 3, 4 en 9 aangemerkt alle beslissingen die door het Openbaar Ministerie of de rechter zijn genomen, met uitzondering van de beslissing tot niet vervolgen omdat de betrokken persoon ten onrechte als verdachte is aangemerkt en de beslissing tot niet vervolgen na vaststelling van een rechtmatige geweldsaanwending van een ambtenaar.
2. De minister heeft aan de, in bezwaar gehandhaafde, afwijzing van het verzoek ten grondslag gelegd dat de registratie van de betrokken gegevens overeenstemt met de onherroepelijk geworden beslissing zoals die door het Openbaar Ministerie is genomen inzake een overtreding van artikel 3, aanhef en onder B, gelezen in verbinding met artikel 11, tweede lid, van de Opiumwet.
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister de registratie in het JDS terecht heeft gehandhaafd. Hij voert hiertoe aan dat de registratie inhoudelijk onjuist is dan wel polyinterpretabel en niet ter zake dienend. De registratie betreft een transactie met het Openbaar Ministerie. Deze transactie is voortgekomen uit de resultaten van een huiszoeking, welke heeft plaatsgevonden in verband met een verdenking van handel in cocaïne. Deze verdenking berust niet op aantoonbare feiten en is mogelijk het gevolg van zijn kritiek op bestuurders van gemeenten en woningcorporaties. Tijdens de huiszoeking is geen cocaïne aangetroffen doch slechts softdrugs. In verband met de onjuiste verdenking zou uit de registratie de conclusie getrokken kunnen worden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan handel in cocaïne, hetgeen niet het geval is. Aan hem is bovendien nooit bericht dat de strafzaak zou worden geregistreerd. Verder mocht hij, gelet op het bericht van de Officier van Justitie waarin hem werd medegedeeld dat de strafzaak was afgedaan, ervan uitgaan dat de zaak volledig zou zijn gesloten, aldus [appellant].
3.1. Blijkens de door [appellant] overgelegde brief van de Officier van Justitie van 13 december 1993 heeft de Officier van Justitie [appellant] voorgesteld om de strafzaak af te doen met een transactie, inhoudende ondertekening van een verklaring tot afstand van bij voormelde huiszoeking in beslag genomen softdrugs. Blijkens de door [appellant] overgelegde, door hem ondertekende afstandsverklaring heeft hij deze transactie aanvaard. Deze transactie is een beslissing van het Openbaar Ministerie zoals vermeld in artikel 7 van Pro het Bjsg, welke op grond van artikel 2 van Pro de Wjsg wordt verwerkt in het JDS. De weergave van de transactie in het JDS is feitelijk juist. De minister heeft niet ten onrechte het standpunt ingenomen dat de registratie van de transactie een goede strafrechtspleging dient en derhalve ter zake dienend is. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd met betrekking tot de procedure voorafgaand aan de beslissing van het Openbaar Ministerie, de aanleiding van de huiszoeking, zijn onbekendheid met de registratie en de mededeling van de Officier van Justitie, ziet niet op één van de in artikel 22, eerste lid, van de Wjsg genoemde gronden voor verwijdering of verbetering. Het systeem van registratie van justitiële gegevens biedt geen ruimte voor verwijdering of verbetering op gronden die niet zijn genoemd in artikel 22, eerste lid, van de Wjsg. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat de minister de registratie in het JDS terecht heeft gehandhaafd. Het betoog faalt daarom. Overigens volgt uit de registratie in het JDS geen associatie met cocaïne. De in de registratie vermelde wettelijke bepalingen, te weten artikel 3, aanhef en onder B, en artikel 11, tweede lid, van de Opiumwet, zien op de in lijst II van de Opiumwet vermelde middelen, oftewel softdrugs. Cocaïne staat niet op deze lijst vermeld.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.
w.g. Van Kreveld w.g. De Vries
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2013
582-798.