AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging bestemmingsplan Weerselo Kern wegens onvoldoende onderzoek en motivering
De raad van de gemeente Dinkelland stelde op 22 mei 2012 het bestemmingsplan "Weerselo Kern" vast. Appellant maakte hiertegen bezwaar en stelde beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij tussenuitspraak van 6 maart 2013 werd de raad opgedragen om onderzoek te verrichten naar de gevolgen van de oprichting van kuilvoer-, mestplaten en -bassins, met name gericht op geur-, stof- en geluidsoverlast en het uitzicht.
De raad wijzigde het plan op 28 mei 2013 door mestplaten en -bassins enkel binnen het bouwvlak toe te staan, maar liet de mogelijkheden voor kuilvoerplaten ongewijzigd. Appellant kon zich verenigen met de wijziging omtrent mestplaten, maar stelde dat de raad tekort was geschoten in het onderzoek en de motivering over de kuilvoerplaten.
De Afdeling oordeelde dat het besluit van 22 mei 2012 en het gewijzigde besluit van 28 mei 2013, voor zover het de functieaanduiding "sa-ab" voor het perceel van appellant betreft, niet in overeenstemming zijn met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De raad had onvoldoende onderzoek verricht en niet gemotiveerd waarom kuilvoerplaten vlak achter het perceel van appellant mogelijk werden gemaakt.
De Afdeling vernietigde daarom deze onderdelen van het bestemmingsplan en droeg de raad op binnen vier weken de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan. Tevens werd de raad veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het bestemmingsplan is gedeeltelijk vernietigd wegens schending van de onderzoeksplicht en onvoldoende motivering omtrent kuilvoerplaten nabij het perceel van appellant.
Uitspraak
201207314/1/R1.
Datum uitspraak: 18 september 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te Weerselo, gemeente Dinkelland,
en
de raad van de gemeente Dinkelland,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 22 mei 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Weerselo Kern" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2013, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], is verschenen.
Voorts zijn ter zitting [partijen] als partij gehoord.
Bij tussenuitspraak van 6 maart 2013, nr. 201207314/1/T1/R1, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 22 mei 2012 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.
Bij besluit van 28 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Weerselo Kern" gewijzigd vastgesteld teneinde de gebreken die in de tussenuitspraak zijn genoemd te herstellen.
Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [appellant] een zienswijze naar voren gebracht.
De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
2. Bij de tussenuitspraak van 6 maart 2013 heeft de Afdeling de raad opgedragen om:
- met inachtneming van overweging 4.5 alsnog te onderzoeken welke gevolgen de oprichting van kuilvoer-, mestplaten en -bassins heeft, in ieder geval wat betreft mogelijke geur-, stof- en geluidsoverlast. Tevens dienen de gevolgen voor het uitzicht te worden bezien. Voorts dient de raad op grond van de uitkomsten van dat onderzoek het besluit op deze punten toereikend te motiveren, waarbij ook dient te worden ingegaan op de vraag waarom de kuilvoerplaten vlak achter de achterzijde van het perceel van [appellant] mogelijk worden gemaakt, dan wel het besluit, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling.
3. Ingevolge het besluit van 28 mei 2013 geldt artikel 3, lid 3.2.4, onder a, van de planregels nog slechts voor kuilvoerplaten. De verwijzing naar "mestplaten en -bassins", zoals was opgenomen in het besluit van 22 mei 2012, is verwijderd. Aan lid 3.2.4, onder d, is tevens de zinsnede "met dien verstande dat buiten het bouwvlak geen mestopslagplaatsen mogen worden opgericht" toegevoegd.
4. Het besluit van 28 mei 2013 is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede onderwerp van geding.
5. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 6 maart 2013 overwogen dat het besluit van 22 mei 2012 is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid omdat niet uitgesloten kon worden dat het plan gevolgen kan hebben voor de omgeving zoals verminderd uitzicht, geur-, stof- en geluidsoverlast, niet zonder meer was in te zien dat ook de oprichting van mestplaten en -bassins buiten het bouwvlak moet worden toegestaan en op voorhand niet duidelijk was dat de gewenste kuilvoerplaten niet elders op het bouwperceel met de functieaanduiding "sa-ab" zouden kunnen worden gesitueerd.
5.1. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 22 mei 2012, voor zover dat ziet op de vaststelling van de functieaanduiding "sa-ab" voor het perceel [locatie], niet zijnde bouwvlak, is genomen in strijd met artikel 3:2 vanPro de Awb. Het beroep tegen dat besluit is gegrond, zodat dit in zoverre dient te worden vernietigd.
6. [appellant] heeft in zijn zienswijze te kennen gegeven dat hij zich met het besluit van 28 mei 2013 kan verenigen wat betreft de wijziging in de planregels waardoor mestbassins- en platen enkel binnen het bouwvlak zijn toegestaan in plaats van op het gehele perceel met de aanduiding "sa-ab". Gelet hierop moet het van rechtswege ontstane beroep van [appellant] in zoverre geacht worden te zijn ingetrokken.
7. [appellant] geeft in zijn zienswijze voorts aan dat de raad tekort is geschoten in de onderzoeksplicht naar de gevolgen van de oprichting van kuilvoerplaten voor, in ieder geval, mogelijke geur-, stof- en geluidsoverlast. Daarnaast had de raad gemotiveerd moeten ingaan op de vraag waarom de kuilvoerplaten vlak achter de achterzijde van het perceel van [appellant] mogelijk worden gemaakt, nu de raad op dit onderdeel geen andere planregeling heeft vastgesteld, aldus [appellant].
7.1. Wat betreft de bouwmogelijkheden van kuilvoerplaten ter plaatse van het plandeel voor het perceel [locatie] met de bestemming "Agrarisch" en de functieaanduiding "sa-ab", niet zijnde bouwvlak, stelt de Afdeling vast dat het besluit van 28 mei 2013, evenals het besluit van 22 mei 2013, in deze mogelijkheden voorziet. De Afdeling overweegt dat nu de raad het besluit op dit punt niet gewijzigd heeft vastgesteld, de raad ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar de mogelijke gevolgen, in ieder geval wat betreft mogelijke geur-, stof- en geluidsoverlast en het uitzicht, van de oprichting van kuilvoerplaten op dit perceel. Tevens heeft de raad niet gemotiveerd waarom geen onderzoek is verricht. Evenmin is ingegaan op de vraag waarom de kuilvoerplaten vlak achter de achterzijde van het perceel van [appellant] mogelijk worden gemaakt.
7.2. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 28 mei 2013, voor zover dat ziet op de vaststelling van de functieaanduiding "sa-ab" voor het perceel [locatie], niet zijnde bouwvlak, is genomen in strijd met artikel 3:2 enProartikel 3:46 vanPro de Awb. Het beroep tegen dat besluit is gegrond, zodat dit in zoverre dient te worden vernietigd.
8. Uit het oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.
9. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Dinkelland van 22 mei 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Weerselo Kern" gegrond;
II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Dinkelland van 22 mei 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Weerselo Kern", voor zover het betreft de functieaanduiding "sa-ab" voor het perceel [locatie], niet zijnde bouwvlak;
III. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Dinkelland van 28 mei 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Weerselo Kern" gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Dinkelland van 28 mei 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Weerselo Kern", voor zover het betreft de functieaanduiding "sa-ab" voor het perceel [locatie], niet zijnde bouwvlak;
V. draagt de raad van de gemeente Dinkelland op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel IV wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;
VI. veroordeelt de raad van de gemeente Dinkelland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 708,00 (zegge: zevenhonderdacht euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat de raad van de gemeente Dinkelland aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat.