ECLI:NL:RVS:2013:1216
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtstreekse beroepsmogelijkheid tegen inreisverbod en toetsing motivering
De minister vaardigde op 16 februari 2012 een inreisverbod uit tegen de vreemdeling. De voorzieningenrechter oordeelde dat tegen dit inreisverbod geen rechtstreeks beroep openstond, maar dit oordeel werd door de Raad van State gecorrigeerd. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het inreisverbod wel zelfstandig aanvechtbaar is via rechtstreeks beroep.
In het hoger beroep werd het besluit getoetst aan de beroepsgronden van de vreemdeling, waaronder de stelling dat het inreisverbod onverenigbaar zou zijn met het Unierecht vanwege strafrechtelijke gevolgen. Deze grond werd verworpen op basis van eerdere jurisprudentie van de Afdeling.
Daarnaast werd de motivering van het inreisverbod onderzocht. De vreemdeling verwees naar zijn huwelijk en langdurig verblijf in Nederland als reden om het inreisverbod te beperken, maar de staatssecretaris had gemotiveerd dat deze omstandigheden onvoldoende waren om af te zien van het tweejarige verbod. Deze motivering werd als voldoende beoordeeld.
Ten slotte faalden ook de bezwaren tegen de toepassing van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het eerdere vonnis voor zover het naliet op het beroep te beslissen, maar verklaarde het beroep tegen het inreisverbod zelf ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het eerdere vonnis vernietigd voor zover niet op het beroep is beslist.